Kunnen huiseigenaren die door bijvoorbeeld werkloosheid of arbeidsongeschiktheid hun woonlasten niet meer kunnen betalen een beroep op de algemene bijstandswet doen? Het ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid en de gemeente Utrecht beantwoorden deze vraag met een principieel ja! Gedeputeerde staten van Utrecht denken er echter anders over.
De
algemene bijstandswet garandeert ons een minimuminkomen. De hoogte van dat inkomen is geregeld in het
bijstandsbesluit landelijke normering. De in dat besluit voorgeschreven bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten
van het bestaan, bestaat uit drie componenten: bijstandsnorm (voor een gezin 1445,75 per maand), premie
ziektekostenverzekering (indien van toepassing) en woonkostentoeslag. Voor die woonkostentoeslag wordt aangesloten
bij het stelsel van individuele huursubsidies. Je kunt dus pas een woonkostentoeslag krijgen als je om een of andere
reden geen of niet genoeg huursubsidie krijgt. Bewoners van een eigen huis verkeren in die situatie. De
woonkostentoeslag voor deze groep wordt als volgt berekend. De hypotheekrente per jaar, vermeerderd met een bedrag
voor onderhoud door de eigenaar en zakelijke kosten en verminderd met eventuele premie of subsidie, levert een
jaarbedrag van kale woonkosten op. De woonkostentoeslag wordt afgelezen van de eerste huursubsidietabel. Dit betekent
dat bij woonkosten tot 2610,00 per jaar geen toeslag verleend wordt. Bij woonkosten van 2795,00 per
jaar tot en met 8820,00 per jaar wordt gezinnen een toeslag verleend van 15,00 per maand tot en met
440,00 per maand. Bij kale woonkosten boven de 8820,00 kan bij wijze van overbrugging een toeslag
verleend worden. Deze toeslag is gelijk aan het bedrag van de woonkosten verminderd met 295,00 per maand. Je
moet dan wel naar een goedkopere woning gaan omzien. De uiteindelijke bijstandsuitkering wordt berekend door van het
normbedrag verrneerderd met de woonkostentoeslag en premie ziektekosten eventuele inkomsten geheel of gedeeltelijk af
te trekken.
Tot 1 mei dit jaar verleende de gemeente Utrecht alleen aanvragers met een eigen inkomen lager dan het
normbedrag een woonkostentoeslag. Woningbezitters die (nog) een baan hadden of andere uitkeringen ontvingen, kregen
niets. De gemeente stelde zich toen op het standpunt dat 'men geacht wordt met een inkomen uit of in verband
met arbeid in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, waaronder ook de woonkosten dienen te worden begrepen'.
Een andere vreemde consequentie van de beslissing
van G.S. is dat iemand met een eigen inkomen onder de bijstandsnorm door de woonkostentoeslag een hoger inkomen zou
kunnen krijgen dan iemand die de 'pech' heeft te werken of een andere uitkering te ontvangen. Gezien het
uitdrukkelijk aanvullende karakter van de bijstandswet kan dat nooit de bedoeling van de wetgever zijn.
Het
standpunt van G.S. is mogelijk beïnvloed door angst dat toewijzing van de aanvragen enorme financiële
consequenties voor de overheid heeft. Veel bezitters van eigen woningen zijn immers door de slechte economische
situatie in de problemen geraakt. Toch zou financiële hulpverlening door de overheid wel eens goedkoper kunnen
zijn dan openbare verkoop van de woningen wegens hypotheekachterstand. Het betrokken gezin zal immers weer in een
schaarse en zwaar gesubsidieerde huurwoning gehuisvest moeten worden. Verder zullen de geveilde woningen mogelijk in
het circuit van niet-bonafide huizenhandelaren terecht komen. Deze handelaren kunnen dan weer, bijvoorbeeld als de
zogenaamde 'tweede generatiebuitenlanders' zich op de woningmarkt gaat begeven, slachtoffers maken.