NedStat

Woonkostentoeslag:
G.S. Utrecht zien geen heil in ABW-steun aan huiseigenaren

Volgende artikelVorige artikelInhoudsopgavedoor J. van Wingerde
medewerker bureau Sociaal Raadslieden, Utrecht
Binnenlands Bestuur. Alphen aan de Rijn. 4 (31/32): 15 [12 augustus 1983]

Kunnen huiseigenaren die door bijvoorbeeld werkloosheid of arbeidsongeschiktheid hun woonlasten niet meer kunnen betalen een beroep op de algemene bijstandswet doen? Het ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid en de gemeente Utrecht beantwoorden deze vraag met een principieel ja! Gedeputeerde staten van Utrecht denken er echter anders over.

De algemene bijstandswet garandeert ons een minimuminkomen. De hoogte van dat inkomen is geregeld in het bijstandsbesluit landelijke normering. De in dat besluit voorgeschreven bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, bestaat uit drie componenten: bijstandsnorm (voor een gezin ƒ 1445,75 per maand), premie ziektekostenverzekering (indien van toepassing) en woonkostentoeslag. Voor die woonkostentoeslag wordt aangesloten bij het stelsel van individuele huursubsidies. Je kunt dus pas een woonkostentoeslag krijgen als je om een of andere reden geen of niet genoeg huursubsidie krijgt. Bewoners van een eigen huis verkeren in die situatie. De woonkostentoeslag voor deze groep wordt als volgt berekend. De hypotheekrente per jaar, vermeerderd met een bedrag voor onderhoud door de eigenaar en zakelijke kosten en verminderd met eventuele premie of subsidie, levert een jaarbedrag van kale woonkosten op. De woonkostentoeslag wordt afgelezen van de eerste huursubsidietabel. Dit betekent dat bij woonkosten tot ƒ 2610,00 per jaar geen toeslag verleend wordt. Bij woonkosten van ƒ 2795,00 per jaar tot en met ƒ 8820,00 per jaar wordt gezinnen een toeslag verleend van ƒ 15,00 per maand tot en met ƒ 440,00 per maand. Bij kale woonkosten boven de ƒ 8820,00 kan bij wijze van overbrugging een toeslag verleend worden. Deze toeslag is gelijk aan het bedrag van de woonkosten verminderd met ƒ 295,00 per maand. Je moet dan wel naar een goedkopere woning gaan omzien. De uiteindelijke bijstandsuitkering wordt berekend door van het normbedrag verrneerderd met de woonkostentoeslag en premie ziektekosten eventuele inkomsten geheel of gedeeltelijk af te trekken.
Tot 1 mei dit jaar verleende de gemeente Utrecht alleen aanvragers met een eigen inkomen lager dan het normbedrag een woonkostentoeslag. Woningbezitters die (nog) een baan hadden of andere uitkeringen ontvingen, kregen niets. De gemeente stelde zich toen op het standpunt dat 'men geacht wordt met een inkomen uit of in verband met arbeid in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, waaronder ook de woonkosten dienen te worden begrepen'.

Wijziging beleid

Een aantal aanvragers wiens aanvraag en bezwaarschrift onder andere om deze reden afgewezen was, gingen bij gedeputeerde staten van Utrecht in beroep. Terwijl deze beroepsprocedures nog liepen, besloot de directeur van de Utrechtse gemeentelijke sociale dienst, W.F.S. Kolen, zijn beleid te wijzigen. Half mei schreef hij Burgemeester en Wethouders van Utrecht dat het gemeentelijk beleid om slechts een extra toeslag voor woonkosten te verlenen 'indien men reeds op grond van andere redenen (afwezigheid van of onvoldoende inkomen, afgezien van woonlasten) voor bijstand in aanmerking kwam', niet door het ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid gedekt wordt.
Hij besloot in alle gevallen waarin de bijstandsnorm, rekening houdend met een toeslag voor woonkosten, boven het aanwezige inkomen ligt, aanvullende bijstand te verstrekken. Dus personen die volledig in loondienst zijn zouden voor bijstand in aanmerking komen, tenzij de aanvrager in financiële moeilijkheden was gekomen door het aangaan van onverantwoorde verplichtingen.

De directeur stelde Burgemeester en Wethouders verder voor de ontwikkelingen drie maanden te volgen. 'De financiële consequenties van deze wijzigingen in het uitvoeringsbeleid kunnen nog niet worden berekend. Gezien het standpunt van de vertegenwoordigers van het ministerie verwacht ik ten aanzien van de vergoeding geen problemen.'
Verrassenderwijs blijken Gedeputeerde Staten van Utrecht een ander standpunt in te nemen. In tegen, volgens 'oud beleid' van de gemeente genomen, beslissingen aangespannen beroepszaken, stelden G.S. de gemeente in het gelijk. Zij overwogen hierbij dat er in de toelichting op het bijstandsbesluit landelijke normering van uit gegaan wordt dat door een analoge toepassing van de huursubsidieregeling bewoners van eigen huizen en die van huurhuizen 'in de bijstand' de zelfde woonlasten dragen. Betrokkenen ontvingen ten tijde van de aanvraag echter geen bijstandsuitkering. Gedeputeerde staten zijn daarom van mening dat de woonkostenregeling in het bijstandsbesluit niet op hen van toepassing is.

Lastig parket

Deze situatie brengt eigen woningbezitters met financiële problemen in een lastig parket. Zij kunnen mogelijk van de gemeentelijke sociale dienst een aanvullende bijstandsuitkering krijgen. Bij mogelijke geschillen over de hoogte van de uitkering zou het echter onverstandig kunnen zijn om bij gedeputeerde staten van Utrecht in beroep te gaan. Deze zullen de beslissing van de gemeente dan immers vermoedelijk vernietigen en bepalen dat de bijstandsuitkering ten onrechte toegekend is. Dit betekent dat de bijstand per datum van beslissing van G.S. eindigt. De betrokkene is dan van de wal in de sloot terecht gekomen.

Een andere vreemde consequentie van de beslissing van G.S. is dat iemand met een eigen inkomen onder de bijstandsnorm door de woonkostentoeslag een hoger inkomen zou kunnen krijgen dan iemand die de 'pech' heeft te werken of een andere uitkering te ontvangen. Gezien het uitdrukkelijk aanvullende karakter van de bijstandswet kan dat nooit de bedoeling van de wetgever zijn.
Het standpunt van G.S. is mogelijk beïnvloed door angst dat toewijzing van de aanvragen enorme financiële consequenties voor de overheid heeft. Veel bezitters van eigen woningen zijn immers door de slechte economische situatie in de problemen geraakt. Toch zou financiële hulpverlening door de overheid wel eens goedkoper kunnen zijn dan openbare verkoop van de woningen wegens hypotheekachterstand. Het betrokken gezin zal immers weer in een schaarse en zwaar gesubsidieerde huurwoning gehuisvest moeten worden. Verder zullen de geveilde woningen mogelijk in het circuit van niet-bonafide huizenhandelaren terecht komen. Deze handelaren kunnen dan weer, bijvoorbeeld als de zogenaamde 'tweede generatiebuitenlanders' zich op de woningmarkt gaat begeven, slachtoffers maken.

Terug naar boven



Jaap van Wingerde (1995). Tekening: Japke van Wingerde [Utrecht, 1985]Jaap van Wingerde
e-mail: webmaster@vanwingerde.net
internet: http://jaap.vanwingerde.net/