NedStat

Reader
Europees Sociaal Fonds
1994 - 1999
Doelstelling 3
in Nederland

Volgende artikel Vorige artikel Inhoudsopgave

eerste uitgave, 27 maart 1995

Jaap van Wingerde

Inhoudsopgave

  1. Inleiding
  2. Europees Sociaal Fonds 1994 - 1999
    1. Enig Programmeringsdocument
    2. Regelgeving
      1. Regeling Europees Sociaal Fonds
    3. Criteria
      1. Prioriteit 1
      2. Algemene criteria
      3. Maatregelen
        1. Scholing
        2. Bemiddeling
        3. Trajectbemiddeling
      4. Specifieke acties
        1. Extra instroom in het leerlingwezen
        2. Beroepsopleidingen voor jongeren
        3. Opvang van voortijdig schoolverlaters (jonger dan negentien jaar) in het KMBO en leerlingwezen
        4. Scholing voorbereidend op arbeidsinpassing
        5. Uitbreiding van het bereik van de Jeugdwerk-garantiewet
        6. Extra werkervaringsplaatsen
        7. Uitbreiding van het aantal Banenpoolplaatsen
        8. Intensivering van maatregelen voor kansarme groepen
        9. Extra instroom in de zorgsector
        10. Reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten
      5. Criteria per leeftijdscategorie
      6. Prioriteit en hoogste prioriteit
    4. Publiekrechtelijke instellingen
    5. Publiekrechtelijke bijdrage
    6. Privaatrechtelijke bijdrage
    7. Berekening maximale ESF-subsidie
    8. Verhouding aanvrager, uitvoerder en begunstigde
    9. Subsidiabele kosten
    10. Inkomen deelnemers
    11. Subsidiebureaus
    12. Belangrijkste verschillen tussen de nieuwe Regeling ESF en die van 1991
  3. Van aanvraag tot laatste rapportage, van beschikking tot betaling eindsaldo
    1. Aanvraag om subsidie
      1. Aanvraagformulier
      2. Projectomschrijving
      3. Kostenbegroting
      4. Specificatie publiekrechtelijke bijdrage
      5. Onderbouwing van gevraagde subsidie en aantal deelnemers per kalenderjaar
      6. Communautaire Wetgeving en Beleid
      7. Kwalificaties, werkgelegenheidsvooruitzichten en termijn van werkaanvaarding
      8. Nieuwe technologieën
      9. Wijze van administreren
      10. Wijze van controle
      11. Advies Arbeidsmarktrelevantie
      12. Indienen van de aanvraag
    2. Projectadministratie
      1. Deelnemersgegevens
      2. Projectgegevens
      3. Financiële gegevens
    3. Toezicht op de uitvoering
    4. De beschikking
      1. Budgetuitputting
      2. Negatieve beschikking
      3. Positieve beschikking
    5. Voorschotbetalingen
    6. Kwartaalrapportages
    7. Tussentijdse rapportages bij calamiteiten
    8. Herziene beschikking
    9. Einddeclaratie
      1. Eindrapportage(s)
      2. Accountantsverklaring
      3. Uitstel van indiening einddeclaratie
    10. Eindbeschikking
    11. (Terug)betaling van het eindsaldo
    12. Rapportage "Werkgelegenheid na afloop"
    13. Administratief beroep
Regeling Europees Sociaal Fonds (CBA, 1994)

Artikelen:
  1. definities
  2. de subsidiegrondslag
  3. formele criteria van het project
  4. inhoudelijke criteria van het project
  5. subsidiabele kosten
  6. budgettering
  7. de aanvraag
  8. de subsidieverlening
  9. bevoorschotting
  10. administratievoorschriften
  11. rapportage
  12. toezicht
  13. declaratie
  14. subsidievaststelling en betaling
  15. intrekking subsidieverlening
  16. beschikkingsbevoegdheid
  17. beroep
  18. intrekking regeling 1991
  19. inwerkingtreding
  20. overgangsregime
  21. citeertitel

1. Inleiding

Deze reader is samengesteld ten behoeve van de ESF - Workshops van de Vermeer Groep in april 1995. Eventuele opmerkingen kunnen tijdens de workshops mondeling gemaakt worden en schriftelijk op het volgende adres.

Jaap van Wingerde
e-mail: webmaster@vanwingerde.net.

© Jaap van Wingerde, 1995. Niets uit deze reader mag worden verveelvoudigd en/of openbaargemaakt, op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming.

2. Europees Sociaal Fonds 1994 - 1999

Het Europees Sociaal Fonds -nieuwe stijl- is in 1994 een nieuwe planperiode ingegaan. De eerste planperiode was 1990 - 1992, de tweede 1993, deze derde planperiode loopt van 1994 - 1999 (zes jaar).

2.1. Enig Programmeringsdocument

Lidstaat Nederland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn een Enig Programmeringsdocument 1994 - 1999 voor de bijstandsverlening door het Europees Sociaal Fonds uit hoofde van doelstelling 3 in Nederland (exclusief zones doelstelling 1) overeengekomen. Dit document is op 17 augustus 1994 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgesteld en volgens het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in oktober 1994 ontvangen.

In de vorige twee planperiodes was er sprake van Communautaire Bestekken en Operationele Programma's. Een Enig Programmeringsdocument is een Communautair Bestek en Operationeel Programma in één.

Een Comité van Toezicht draagt zorg voor het goede verloop van de acties ter uitvoering van het Enig Programmeringsdocument. In dit Comité van Toezicht voor de uitvoering van het Enig Programmeringsdocument voor doelstelling 3 van het Europees Sociaal Fonds in Nederland hebben vertegenwoordigers van de Europese Commissie, de sociale partners, het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zitting.

Het comité heeft de criteria waaraan ESF-projecten moeten voldoen vastgesteld. Deze zijn de regio's bij brief van 23 november 1994, nummer F&E/ESF/94016895, door het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening meegedeeld en als bijlage van de Regeling ESF in de Staatscourant gepubliceerd.

2.2. Regelgeving

De subsidieverlening uit het Europees Sociaal Fonds is gebaseerd op de volgende regelgeving.

  1. De verordeningen van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1988, nummer 2052/88 (Publikatieblad EG L 185), van 19 december 1988, nummer 4253/88 (Publikatieblad EG L 374) en van 19 december 1988, nummer 4255/88 (Publikatieblad EG L 374), zoals laatstelijk gewijzigd op 20 juli 1993 met de verordeningen van deze Raad nummers 2081/93, 2082/93 en 2084/93.
  2. De Arbeidsvoorzieningswet, artikel 99, lid 2 [Staatsblad 1990 (402)].
  3. Overeenkomst tussen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, ondertekend op 27 en 12 september 1991 [Staatscourant 1991 (192)].
  4. De beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen nummer C(94) 1414, van 17 augustus 1994, tot goedkeuring van het enig programmeringsdocument 1994 - 1999 voor de structurele bijstandsverlening door de Gemeenschap uit hoofde van doelstelling 3 in Nederland [No ESF 94.3001 NL 3, No ARINCO NL-03(94)].
  5. De Regeling Europees Sociaal Fonds van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (1994/187), Staatscourant 1994 (239).

Op grond van deze regelgeving is de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de voor de uitvoering in Nederland van doelstelling 3 van het Europees Sociaal Fonds bevoegde autoriteit. Daartoe heeft het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening genoemde Regeling Europees Sociaal Fonds vastgesteld.

Bedacht moet worden dat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de Commissie van de Europese Gemeenschappen aanspreekpunt blijft en primair verantwoordelijk voor de goede uitvoering van het Europees Sociaal Fonds in Nederland.

De regelingen a - d vallen buiten het bestek van deze reader. Aanvragers en uitvoerders hebben vooral met de Regeling ESF te maken.

2.2.1. Regeling Europees Sociaal Fonds

De Regeling Europees Sociaal Fonds (CBA, 1994/187) is op 10 november 1994 door het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening vastgesteld en op 12 december 1994 in Staatscourant 1994/239 gepubliceerd. De regeling is als bijlage aan deze reader toegevoegd. In § 2.12 is een overzicht van de belangrijkste verschillen tussen deze nieuwe en de oude Regeling ESF opgenomen.

2.3. Criteria

ESF-projecten moeten voortaan gericht zijn op prioriteit 1 "De toeleiding van werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt". Deze prioriteit beoogt de integratie van personen die met uitsluiting worden bedreigd. Daaronder worden verstaan langdurig werklozen en personen die de kans lopen op langdurige werkloosheid.

Hiertoe zijn drie maatregelen voorzien:

  1. Scholing,
  2. Bemiddeling,
  3. Trajectbemiddeling.

Binnen deze maatregelen zijn tien specifieke acties voorzien:

  1. Extra instroom in het leerlingwezen,
  2. Beroepsopleidingen voor jongeren,
  3. Opvang van voortijdig schoolverlaters (jonger dan negentien jaar) in het Kort Middelbaar Beroepsonderwijs (KMBO) en leerlingwezen,
  4. Scholing voorbereidend op Arbeidsinpassing,
  5. Uitbreiding van het bereik van de Jeugdwerkgarantiewet (JWG),
  6. Extra werkervaringsplaatsen,
  7. Uitbreiding van het aantal banenpoolplaatsen,
  8. Intensivering van maatregelen voor kansarme groepen,
  9. Extra instroom in de zorgsector,
  10. Reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten.

Er kan dus nog slechts ESF-subsidie verleend worden voor projecten voor de toeleiding van werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, die voldoen aan de algemene selectiecriteria, de selectiecriteria van een maatregel, en passen binnen een specifieke actie. Hiernaast zijn er nog criteria per leeftijdscategorie.

Er zijn rekenkundig dertig combinaties van maatregel en specifieke actie mogelijk. Dit aantal is echter teruggebracht tot drieëntwintig. In de volgende tabel zijn de drieëntwintig combinaties weergegeven.

Maatregel 3:  Trajectbemiddeling

Maatregel 2:  Bemiddeling

 

Maatregel 1:  Scholing

 

 

Specifieke actie

 

 

 

 1.  Extra instroom in het leerlingwezen

1.1

 

3.1

 2.  Beroepsopleidingen voor jongeren

1.2

 

3.2

 3.  Opvang van voortijdig schoolverlaters

1.3

 

3.3

 4.  Scholing voorbereidend op arbeidsinpassing

1.4

 

3.4

 5.  Uitbreiding van het bereik van de Jeugdwerkgarantiewet (JWG)

 

2.5

3.5

 6.  Extra werkervaringsplaatsen

 

2.6

3.6

 7.  Uitbreiding van het aantal banenpoolplaatsen

 

2.7

3.7

 8.  Intensivering van maatregelen voor kansarme groepen

1.8

2.8

3.8

 9.  Extra instroom in de zorgsector

1.9

2.9

3.9

10.  Reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten

1.10

2.10

3.10

2.3.1. Prioriteit 1

Alle aanvragen dienen te voldoen aan prioriteit 1: De toeleiding van werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

Deze prioriteit beoogt de integratie van personen die met uitsluiting worden bedreigd. Daaronder worden verstaan langdurig werklozen en personen die de kans lopen op langdurige werkloosheid. Binnen deze doelgroep worden drie sub-groepen onderscheiden.

  1. de met sociale uitsluiting bedreigden, waaronder minderheden en gedeeltelijk arbeidsgeschikten,
  2. vrouwen met een bijstandsuitkering,
  3. jongeren, met name voortijdig schoolverlaters.

Prioriteit 2 wordt hier niet behandeld. Deze heeft betrekking op de  instrumentele randvoorwaarden om het uitvoeringsbeleid gestalte te kunnen geven (technische bijstand). In dit kader worden voorbereidings-, beoordelings-, toezicht-, evaluatiemaatregelen, voorlichtings- en publiciteitsacties gefinancierd.

2.3.2. Algemene criteria

Alle aanvragen moeten voldoen aan de volgende algemene criteria.

  1. Het project is opgezet voor personen, die als werkloos werkzoekend staan ingeschreven bij een arbeidsbureau. Deze inschrijfplicht is in een aantal gevallen voor projecten voor specifieke doelgroepen niet vereist, zie de criteria per leeftijdscategorie.
  2. In het algemeen bestaan projecten uit minimaal 10 deelnemers en zijn ze gericht op sectoren, waar een gebrek bestaat aan evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt (arbeidsmarktrelevantie).
  3. De advisering over de arbeidsmarktrelevantie van het project vindt plaats door het arbeidsbureau in de regio waar het project wordt uitgevoerd. De advisering inzake het belang voor de deelnemers vindt plaats door de arbeidsbureaus waar de werkloze deelnemers staan ingeschreven.
  4. Een project kan doorlopen over de (kalender-)jaargrens. In het algemeen bedraagt de duur van het project minimaal tweehonderd uur.
  5. Prioriteit genieten projecten voor personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Deze projecten bestaan deels of geheel uit migranten, en/of gehandicapten, en/of (herintredende) vrouwen. Daarbij is het project zodanig opgezet dat aanpassing aan de individuele mogelijkheden van deze deelnemers mogelijk is.
  6. Hoogste prioriteit genieten projecten die:
    1. merendeels bestaan uit:
      • migranten die, voorafgaande aan de start van het project, korter dan 3 jaar legaal in Nederland verblijven (voor politieke vluchtelingen gaat de termijn van 3 jaar pas lopen vanaf het moment dat zij erkend zijn als politieke vluchteling en daarmee beschikken over de A- of B-status),
        en / of
      • vrouwen die langer dan 3 jaar uit het arbeidsproces zijn geweest, waaronder in het bijzonder bijstandsvrouwen,
    2. zijn gericht op herinpassing van vrouwen in beroepen waarin zij sterk zijn ondervertegenwoordigd. Hierbij wordt gedacht aan technische industriële en leidinggevende functies.

2.3.3. Maatregelen

De regeling kent de volgende drie maatregelen.

1. Scholing

Selectiecriteria:

  1. Het project betreft een (voor)schakel- en/of oriëntatiecursus gericht op een vervolgtraject en/of bestaat uit een combinatie van opleiding en praktijkervaring bij bedrijven en/of op simulatieplekken binnen opleidingsinstituten. Individuele begeleiding is hiervan een onderdeel.
  2. De opleiding is gericht op een algemene (basis) kwalificatie. De deelnemers krijgen vaardigheden bijgebracht die hen beter geschikt maken voor het uitoefenen van één of meer beroepen.
  3. Bij de uitvoering van opleidingsprogramma's met transnationaal karakter zijn minimaal twee EU-lidstaten betrokken. Uit de bewijsstukken dient te blijken dat de overheden in de andere lidstaten ook daadwerkelijk meefinancieren. Er dient tevens sprake te zijn van uitwisseling van opleidingsprogramma's, leerkrachten en/of stagiaires.
  4. De maximale duur per deelnemer bedraagt twaalf maanden.
2. Bemiddeling

Selectiecriteria:

  1. Het gaat hierbij om additionele arbeidsplaatsen, met bij voorkeur arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde duur, of om werkervaringsplaatsen, met aantoonbaar perspectief op een vast dienstverband (bij voorkeur een baangarantie), of om activiteiten die zijn gericht op het starten als zelfstandig ondernemer.
  2. Het afgesloten dienstverband bedraagt minimaal vijftien uur per week.
  3. De werkgever stelt een begeleidingsplan op. Bij werkervaringsplaatsen is er bovendien een vaste begeleider.
  4. De subsidie mag niet voor meer dan twintig procent van het personeelsbestand van een bedrijf of een instelling worden toegepast.
  5. Prioriteit krijgt de toepassing in het midden- en kleinbedrijf (juridisch zelfstandig aansprakelijke bedrijven met minder dan vijfhonderd werknemers op fulltime-basis).
  6. De maximale duur per deelnemer bedraagt twaalf maanden.
3. Trajectbemiddeling

Selectiecriteria:

  1. Het project dient een resultante te zijn van diagnosestelling op basis van een integrale probleemanalyse. Dit vereist een gecoördineerde aanpak van verschillende disciplines, zoals maatschappelijk werk, regionale instituten voor ambulante geestelijke gezondheidszorg, arbeidsbureaus, sociale diensten, reclassering, centra voor alcohol en drugs, etc.
  2. Het project bevat een behandelplan (actieplan) dat tot stand is gekomen in en na overleg tussen de sub a bedoelde disciplines.
  3. De verantwoordelijkheden, taken, bevoegdheden, van de diverse hulpverlenende instanties dienen volstrekt helder te zijn.
  4. Elementen, als vermeld bij maatregel 1 en 2 kunnen in wisselende volgorde deel uitmaken van het project.
  5. De maximale duur per deelnemer bedraagt vierentwintig maanden.

2.3.4. Specifieke acties

Aan deze maatregelen zijn de volgende specifieke acties verbonden.
  1. Extra instroom in het leerlingwezen (maatregel 1 en 3).
    Voorzien is een uitbreiding van de instroom in het leerlingwezen met uiteindelijk twintigduizend extra leerlingen per jaar. Deze extra instroom zal met name gezocht worden onder werkloze jongeren die zonder actieve, persoonlijke benadering niet aan het leerlingwezen zouden deelnemen.
  2. Beroepsopleidingen voor jongeren (maatregel 1 en 3).
    Het betreft hier jongeren (jonger dan 25 jaar) met onvoldoende scholing en/of beroepservaring, die niet voldoende aansluit op de behoefte van de arbeidsmarkt.
  3. Opvang van voortijdig schoolverlaters (jonger dan negentien jaar) in het KMBO en leerlingwezen (maatregel 1 en 3).
    Het betreft hier jongeren die ongediplomeerd het onderwijs verlaten en via een extra inspanning actief worden benaderd om hen alsnog door te sluizen naar het KMBO of het leerlingwezen. Aldaar dient een apart programma te worden gemaakt en moet aparte registratie plaatsvinden. Ook hier betreft het jongeren die zonder extra inspanning niet bereikt zouden worden. Deze inspanning staat in nauwe relatie tot de bovengenoemde extra instroom in het leerlingwezen.
  4. Scholing voorbereidend op arbeidsinpassing (maatregel 1 en 3).
    Voor werkzoekende, die een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben, kan scholing niet altijd direct gericht worden op arbeidsinpassing. Scholing, die niet direct leidt tot arbeidsinpassing kan in de volgende gevallen toch zinvol zijn.
    1. Het betreft een voortraject dat nodig is om meer arbeidsmarktgerichte scholing te volgen. Het kan hier gaan om bijvoorbeeld Nederlandse taalscholing of andere basisvaardigheden (nieuwkomers).
    2. Het betreft scholing die de afstand tot de arbeidsmarkt verkleint, ook al is er geen baangarantie na het afronden van de cursus.
    3. Het betreft scholing van werkzoekenden die nog niet op dit moment beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, maar wel in de nabije toekomst, bijvoorbeeld bijstandsvrouwen met de zorg voor kinderen.
  5. Uitbreiding van het bereik van de Jeugdwerkgarantiewet (maatregel 2 en 3).
    De Jeugdwerkgarantiewet zal beter toegankelijk worden gemaakt voor moeilijk bereikbare jongeren (met een JWG- voorbereidingstraject) en worden uitgebreid met allochtone jongeren van 21 jaar en ouder. Deze jongeren zijn vanwege in de persoon gelegen factoren nog niet plaatsbaar op een garantieplaats. In de voorbereidingsfase wordt nauw samengewerkt met o.a. welzijnsinstellingen, hulpverleningsorganisaties, vormingswerk en de arbeidsvoorziening.
  6. Extra werkervaringsplaatsen (maatregel 2 en 3).
    Inzet van de regering is om in drie jaar tijd (1994 tot en met 1996) twintigduizend extra instroom- en werkervaringsplaatsen te realiseren. Het betreft tijdelijk gesubsidieerde plekken in de marktsector voor personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Het kabinet wil per extra plaats circa 6.000,00 ter beschikking stellen, te dekken uit bespaarde uitkeringsgelden.
  7. Uitbreiding van het aantal Banenpoolplaatsen (maatregel 2 en 3).
    In 1994 wordt het aantal banenpoolplaatsen verder uitgebreid. Daarnaast wordt gestimuleerd om waar mogelijk doorstroom naar reguliere arbeid te laten plaatsvinden. Een in te stellen uitstroomsubsidie zal dit bevorderen. Het betreft een tijdelijke, aflopende subsidie voor de duur van drie jaar.
  8. Intensivering van maatregelen voor kansarme groepen (maatregel 1, 2 en 3).
    Door diverse maatregelen wordt beoogd de samenwerking tussen gemeenten en RBA's te versterken. Onder de vlag van Sociale vernieuwing krijgen gemeenten meer mogelijkheden voor een integrale aanpak van achterstanden. Dit biedt meer mogelijkheden voor een gecoördineerde inzet van middelen voor sociaal-cultureel werk, kinderopvang en arbeidsmarktmaatregelen. Bij de herinrichting van de Algemene Bijstandswet krijgt de gemeente mogelijkheden voor een meer activerend beleid. Zo krijgt de gemeente de beschikking over een budget om bij scholing en uitstroom een eenmalige premie te verstrekken.
  9. Extra instroom in de zorgsector (maatregel 1 en 3).
    Aan deze projecten nemen vooral langdurig werkloze mannen en vrouwen, personen uit minderheidsgroepen en jongeren deel.
  10. Reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (maatregel 1 en 3).
    Vanwege de omvangrijke herkeuringen van de arbeidsongeschikten zijn extra inspanningen op het terrein van arbeidsbemiddeling noodzakelijk.

De beschrijvingen van deze acties zijn ontleend aan het Enig Programmeringsdocument 1994 - 1999 voor de bijstandsverlening door het Europees Sociaal Fonds uit hoofde van doelstelling 3 in Nederland (exclusief zones doelstelling 1).

2.3.5. Criteria per leeftijdscategorie

Verder dienen alle aanvragen te voldoen aan de criteria per leeftijdscategorie.
  1. Werklozen die bij aanvang van deelname aan het project vijfentwintig jaar en ouder zijn.
    1. Van een project kunnen personen deel uitmaken die langer dan twaalf maanden als werkloos werkzoekende (langdurig werkloos) staan ingeschreven bij een arbeidsbureau.
    2. Personen die korter dan een jaar als werkloos werkzoekend staan ingeschreven bij een arbeidsbureau, doch met langdurige werkloosheid worden bedreigt (ter beoordeling van het arbeidsbureau) kunnen deel uitmaken van een project.
    3. Voor migranten, gehandicapten en (herintredende) vrouwen die niet stonden ingeschreven bij een arbeidsbureau geldt dat zij voldoen aan het inschrijvingscriterium van 12 maanden als zij kunnen aantonen dat zij voor hun deelname aan een project langer dan 12 maanden zonder werk zijn geweest (geen arbeidsverhouding hebben gehad).
    4. Prioriteit genieten projecten waaraan werklozen deelnemen die ouder zijn dan 45 jaar, ongeacht de duur van de werkloosheid.
  2. Werklozen die bij aanvang van deelname aan het project jonger dan vijfentwintig jaar zijn.
    1. Van het project kunnen personen deel uitmaken, die als werkloos werkzoekend staan ingeschreven bij een arbeidsbureau.
    2. Het gaat hierbij om projecten voor jongeren met onvoldoende scholing en / of beroepservaring, die niet voldoende aansluit op de behoefte van de arbeidsmarkt.
    3. Projecten in het kader van het KMBO of leerlingwezen die apart zijn opgezet voor voortijdig schoolverlaters genieten prioriteit voorzover zij voldoen aan de volgende voorwaarden.
      • Bij aanvang van hun deelname aan het project zijn de deelnemers jonger dan negentien jaar.
      • Het betreft slechts voortijdige schoolverlaters, waarbij de meest kwetsbare groep wordt gevormd door de drop-outs uit LBO/VBO en MAVO.
      • De deelnemers zijn aangemeld bij een regionaal meldpunt voor voortijdig schoolverlaters. Inschrijving bij een arbeidsbureau is in dit geval niet verplicht.
      • Er is een arbeidsmarktrelevantieverklaring van dit aparte traject in het kader van het KMBO of leerlingwezen.

2.3.6. Prioriteit en hoogste prioriteit

In de criteria wordt op diverse plaatsen gesproken over prioriteiten en hoogste prioriteiten. Zo wordt de hoogste prioriteit gegeven aan projecten die merendeels bestaan uit migranten en bijstandsvrouwen

In artikel 102 de Arbeidsvoorzieningswet is echter bepaald dat, tenzij de regeling anders bepaalt, behandeling van verzoeken om subsidie in volgorde van binnenkomst plaats vindt. In de Regeling ESF is geen andere volgorde van behandeling bepaald. De aanvragen om subsidie uit het Europees Sociaal Fonds moeten dus in volgorde van binnenkomst behandeld worden. Hierdoor is het niet mogelijk een aanvraag met uitmuntende arbeidsmarktrelevantie voorrang te verlenen boven een project met slechts voldoende arbeidsmarktrelevantie dat een dagje eerder ingediend werd.

Het Comité van Toezicht heeft besloten om begin 1995 regelgeving en criteria nog eens te bezien. Dit heeft echter niet tot aanpassing van de regeling geleid.

2.4. Publiekrechtelijke instellingen

Alleen Nederlandse publiekrechtelijke instellingen kunnen als aanvrager van subsidie uit het Europees Sociaal Fonds optreden. Je kunt hierbij denken aan gemeenten, ministeries, onderdelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (arbeidsbureaus, Centra Vakopleiding), provincies, Kamers van Koophandel etc. Verder worden ook bij algemeen verbindend verklaarde CAO opgerichte Opleidings- & Ontwikkelingsfondsen, Bedrijfsverenigingen en de Stichting Arbeidsmarkt-, Werkgelegenheids- en Opleidingsfonds voor de Sector Zorg en Welzijn in het kader van het Europees Sociaal Fonds als publiekrechtelijke instelling aangemerkt.

Op 6 maart 1995 heeft het Comité van Toezicht besluiten genomen over het aanmerken van Uitzendbureau Start en andere stichtingen als publiekrechtelijke instellingen. Deze besluiten zijn echter nog niet aan de regio's meegedeeld.

2.5. Publiekrechtelijke bijdrage

In artikel 2 van de Regeling ESF staat dat de aanvrager moet zorgdragen voor een mede-subsidiëring van minimaal 55% van de subsidiabele kosten van het project. Deze publiekrechtelijke bijdrage is dus een voorwaarde om subsidie uit het Europees Sociaal Fonds te kunnen krijgen. Ik neem aan dat met "zorgdragen voor" niet bedoeld wordt dat de aanvrager deze 55% zelf helemaal financiert, en dat mede-financiering door andere publiekrechtelijke instellingen dus mogelijk is.

Artikel 2 van de regeling voorziet helaas niet in privaatrechtelijke bijdragen aan het project. Dit kunnen bijdragen deelnemers, opbrengsten van verkopen etc. zijn. In dat geval is de ESF-subsidie naar mijn oordeel maximaal 45/55 van de Nederlandse publiekrechtelijke bijdrage.

2.6. Privaatrechtelijke bijdrage

Als het project door of vanwege een natuurlijk persoon of commerciële instelling wordt uitgevoerd, wordt slechts 90% procent van de subsidiabele projectkosten voor subsidiëring in aanmerking genomen. De subsidie bedraagt dan dus maximaal 45% van 90%, maakt 40,5%. De commerciële instelling moet dus minimaal 10% van de projectkosten betalen.

2.7. Berekening maximale ESF-subsidie

De subsidie is maximaal 45% van de subsidiabele kosten. Het totaal van de publiekrechtelijke bijdrage en de ESF-subsidie kan niet meer zijn dan de subsidiabele projectkosten.

Ik zal hierna met een paar voorbeelden laten zien hoe deze regels in de praktijk kunnen uitwerken.

Voorbeeld 1: aanvraag door een gemeente

totale subsidiabele projectkostenƒ 100.000,00
publiekrechtelijke bijdragen
bijstandsuitkeringenƒ 45.000,00
bijdrage rijksoverheidƒ 20.000,00
tekortƒ 35.000,00
ESF-subsidieƒ 35.000,00

De subsidie is maximaal 45% van ƒ 100.000,00 = ƒ 45.000,00. Het tekort is echter lager, zodat de subsidie niet meer dan dat tekort is.

Voorbeeld 2: aanvraag door een gemeente

totale subsidiabele projectkostenƒ 100.000,00
publiekrechtelijke bijdragen
bijdrage rijksoverheidƒ 65.000,00
bijdrage gemeenteƒ 0,00
tekortƒ 35.000,00
ESF-subsidieƒ 0,00

De subsidie is maximaal 45% van ƒ 100.000,00 = ƒ 45.000,00. Het tekort is lager, zodat de subsidie niet meer dan dat tekort kan zijn. De aanvrager voldoet echter niet aan de eis van mede-financiering. Er wordt daarom geen subsidie verleend.

Voorbeeld 3: aanvraag door een arbeidsbureau, uitvoering in samenwerking met een gemeente

totale subsidiabele projectkostenƒ 100.000,00
publiekrechtelijke bijdragen
bijdrage arbeidsvoorziening (Kaderregeling Scholing) ƒ 25.000,00
bijdrage gemeente (bijstandsuitkeringen)ƒ 30.000,00
tekortƒ 45.000,00
te verlenen ESF-subsidieƒ 45.000,00
Eindafrekening 1
totale subsidiabele projectkostenƒ 75.000,00
publiekrechtelijke bijdragen
bijdrage arbeidsvoorziening (KRS) ƒ 25.000,00
bijdrage gemeente (bijstandsuitkeringen)ƒ 10.000,00
tekortƒ 40.000,00
te verlenen ESF-subsidieƒ 28.636,36

Bij de raming van de subsidiabele kosten is de bijdrage van de gemeente veel te hoog ingeschat. Dit kan komen doordat de gerealiseerde uren tegenvallen of dat minder deelnemers dan geraamd een (volledige) bijstandsuitkering hadden.

De subsidie uit het Europees Sociaal Fonds is nooit meer dan 45/55 van de Nederlandse publiekrechtelijke bijdrage. In dit geval dus 45/55 van ƒ 35.000,00, maakt ƒ 28.636,36.

Als gemeente of arbeidsbureau alsnog een deel van het tekort op zich neemt, zou de eindafrekening er als volgt uit kunnen zien.

Eindafrekening 2
totale subsidiabele projectkostenƒ 75.000,00
publiekrechtelijke bijdragen
bijdrage arbeidsvoorziening (KRS)ƒ 25.000,00
bijdrage gemeente (bijstandsuitkeringen)ƒ 10.000,00
extra bijdrage gemeente en / of arbeidsbureauƒ  6.250,00
tekortƒ 33.750,00
te verlenen ESF-subsidieƒ 33.750,00

De gevolgen van de bij de opstelling van de aanvraag gemaakte fouten vallen in dit voorbeeld mee. Er zijn echter veel ernstiger gevolgen denkbaar.

2.8. Verhouding aanvrager, uitvoerder en begunstigde

Een aanvraag om subsidie uit het Europees Sociaal Fonds wordt ingediend door een publiekrechtelijke aanvrager. Deze geeft de feitelijke uitvoering vaak in handen van een andere rechtspersoon, de uitvoerder. Als er door meer uitvoerders samengewerkt wordt, wordt de uitvoerder die in dat samenwerkingsverband het grootste aandeel heeft, als uitvoerder beschouwd.

Verder wordt de subsidie op verzoek van de aanvrager aan een rechtspersoon uitbetaald: de begunstigde. De begunstigde is meestal de aanvrager of de uitvoerder. Als de aanvrager begunstigde is zorgt deze voor doorbetaling aan de uitvoerder(s) of voor verrekening met aan de uitvoerder voorgeschoten subsidie.

In de praktijk blijken problemen met de afrekening van ESF-subsidies veelal terug te voeren op een gebrekkige samenwerking tussen aanvrager, uitvoerder en begunstigde. Problemen ontstaan vaak door onduidelijke verantwoordelijkheden, slechte informatievoorziening en dergelijke. Daarom is het van groot belang dat een en ander vooraf in een goede structuur met heldere verantwoordelijkheden gegoten wordt.

Als voorbeeld neem ik een project waarin bijstandsmoeders een opleiding en werkervaring in de kinderopvang krijgen. Aanvrager is de gemeentelijke sociale dienst. Een middelbare beroepsopleiding verzorgt de opleiding, terwijl een kinderdagverblijf voor stages en werkervaring zorgt.

Er moet dan een volledige lijst gemaakt worden van taken en wie voor het verrichten van deze taken verantwoordelijk is. Op deze lijst staan onderwerpen als (deel)projectadministraties, rapportages, eindafrekeningen, contacten met Regionaal Coördinatiepunt ESF, accountant etc. Verder moet vastgelegd worden hoe eventuele tegenvallers opgevangen worden en geschillen opgelost.

Voor het maken van de werkafspraken zou een begeleidingscommissie opgericht kunnen worden, waarin de drie participanten vertegenwoordigd zijn. Deze commissie beoordeelt de deelnemers, de opleiding, stage en werkervaring en bewaakt de kwaliteit en voortgang van het traject en de overige werkzaamheden.

Het lijkt me niet verstandig deze commissie de contacten met het Regionaal Coördinatiepunt te laten verzorgen. Dit kan beter door een medewerker van de aanvrager gedaan worden. De aanvrager dient in een vroeg stadium van eventuele problemen op de hoogte te zijn en dan maatregelen te nemen. Aanvrager heeft zich immers voor het project garant gesteld en is verantwoordelijk voor een goede uitvoering van het project en eventuele terugbetaling van de subsidie.

Een en ander wordt in een samenwerkingsovereenkomst vastgelegd. In deze overeenkomst staat ook dat elke participant aansprakelijk is voor de schade die door het niet (goed) nakomen van een afspraak ontstaat.

2.9. Subsidiabele kosten

In artikel 5 van de Regeling ESF en in bijlage 2 van de regeling is bepaald welke kosten subsidiabel zijn. Verder worden daar een aantal niet subsidiabele kosten opgesomd.

In aanvulling op genoemde teksten wijs ik u nog op het volgende.

Uitsluitend die kosten die aan het project toe te rekenen zijn, zijn subsidiabel. Zonodig moet er dus een kostenverdeelstaat gemaakt worden.

Huur, leasing en onderhoud gebouwen zijn wel subsidiabel, maar voorzieningen voor groot onderhoud, afschrijving van gebouwen en aankoop van afschrijfbare uitrusting en gebouwen niet.

Kosten van subsidiebureaus zijn niet subsidiabel.

Het uitbesteden van de projectadministratie is subsidiabel. Dan moet echter in de aanvraag opgave gedaan worden van de administrerende instelling.

2.10 Inkomen deelnemers

Bij  inkomen deelnemers  denk ik als eerste aan een loon dat de deelnemer tijdens het volgen van een opleidingstraject ontvangt. Dat komt in Nederland echter niet of zelden voor. Deelnemers ontvangen echter vaak wel een uitkering. Deze kan als subsidiabele kosten en als publiekrechtelijke bijdrage in de ESF-aanvraag en eindafrekening opgenomen worden.

Alleen uitkeringen met een publiekrechtelijk karakter zijn subsidiabel. Dat zijn uitkeringen uitbetaald door publiekrechtelijke instellingen zoals onder andere gemeenten (Algemene Bijstandswet etc.), ministeries (wachtgeld etc.), bedrijfsverenigingen (uitkeringen Werkloosheidswet etc.), Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (arbeidsongeschiktheidsuitkeringen).

De uitkeringen dienen naar rato van het aantal uren aan het project toegerekend te worden. Als een deelnemer gedurende een week vijfentwintig uur aan het project deelgenomen heeft, mag maximaal 25/38 van zijn uitkering van die week aan het project toegerekend worden. De uitkering dient  bruto bruto  berekend te worden dus inclusief belastingen, premies en andere (werkgevers)lasten.

De uitkeringen zijn alleen subsidiabel als in de projectadministratie duidelijke verklaringen van de uitkerende instantie opgenomen zijn, waaruit blijkt welke bedrag, waarom, over welke periode, wanneer, aan wie, uitgekeerd is. Sommige regio's van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie schijnen akkoord te gaan met door de deelnemer verstrekte jaaropgaven e.d. Het is echter aan te bevelen elk kwartaal genoemde opgave van de uitkerende instanties in de projectadministratie op te nemen. Hierover dienen uiteraard al tijdens het opstellen van de aanvraag om subsidie afspraken gemaakt te zijn.

2.11 Subsidiebureaus

Er is een groot aantal subsidiebureaus op de markt. Allemaal claimen ze een goed overzicht van de subsidiemogelijkheden te hebben en veel ervaring met aanvragen en afrekenen van subsidies.

In de praktijk blijkt het inschakelen van subsidiebureaus geen garantie voor succes. Veel aanvragers hebben inmiddels ervaren dat een toezegging van subsidie, niet automatisch een succesvolle eindafrekening tot gevolg heeft. Veelal had het subsidiebureau dan al een percentage van de toegezegde subsidie ontvangen en bleef de aanvrager met de brokken zitten. Dit behoeft natuurlijk niet de schuld van het subsidiebureau geweest te zijn (ook aanvragers en uitvoerders maken fouten), maar het is duidelijk dat de inschakeling van het bureau de problemen niet voorkomen heeft.

In het algemeen is de inschakeling van een subsidiebureau af te raden. Het kost, niet uit het ESF subsidiabel, geld. Verder geeft het medewerkers van uw organisatie de gelegenheid verantwoordelijkheden te ontlopen en kan het verwerven van kennis door uw organisatie in de weg staan. Het bureau heeft immers geen belang bij een klant die zelf van de hoed en de rand komt te weten!

Om dit laatste te voorkomen praten veel regionaal coördinatoren ESF van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie uitsluitend met medewerkers van subsidiebureaus als de opdrachtgever er bij zit.

Als u toch met een subsidiebureau in zee gaat, moet u geen langdurige contracten afsluiten, de betrokken projecten nauwkeurig omschrijven en de betaling van het eindresultaat laten afhangen. Er zijn teveel contracten afgesloten voor meerdere jaren, voor alle projecten van een aanvrager, en voor een percentage van de toezegging. Zulke contracten leidden er toe dat subsidiebureaus betaald moesten worden voor projecten waarvoor ze geen werkzaamheden verrichtten en voor projecten waarvan in de eindbeschikking de subsidie op nul vastgesteld werd.

Kortdurende contracten en betalingen op basis van werkelijk resultaat houden de bureaus klantvriendelijk en alert. Geen slechte eigenschappen voor dienstverlenende instellingen.

Verder moeten goede, schriftelijke, afspraken gemaakt worden, liefst in een samenwerkingsovereenkomst tussen aanvrager, uitvoerder, begunstigde en subsidiebureau.

2.12 Belangrijkste verschillen tussen de nieuwe Regeling ESF en die van 1991

In de plaats van de oude doelstellingen 3 en 4 kwam de nieuwe doelstelling 3: "bestrijding van langdurige werkloosheid en vergemakkelijking van de inschakeling in het arbeidsproces van jongeren en van met uitsluiting van de arbeidsmarkt bedreigde personen".

Alleen die projecten die gericht zijn op de "toeleiding van werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt" zijn nog subsidiabel.

Het zwaartepunt "hulp bij indienstneming" is gewijzigd in de bredere maatregel "bemiddeling".

De nieuw maatregel "trajectbemiddeling" is toegevoegd. Bij toepassing van deze maatregel zijn trajecten van maximaal twee jaar per deelnemer subsidiabel.

Er zijn tien verschillende specifieke acties voorzien, ieder project moet voldoen aan de criteria van een maatregel èn die van een specifieke actie.

Er zijn drieëntwintig verschillende combinaties van maatregel en specifieke actie mogelijk.

In veel gevallen zal het weer noodzakelijk zijn afzonderlijke aanvragen voor deelnemers van vijfentwintig jaar en ouder en deelnemers van vierentwintig jaar en jonger in te dienen.

De aanvraag dient binnen twee maanden nadat het project start te worden ingediend en het project dient binnen twee maanden na toezegging van subsidie te starten.

Aan het project toe te rekenen onderhoud gebouwen is nu subsidiabel.

In de nieuwe Regeling ESF is nu expliciet opgenomen dat het ESF uitsluitend in tekorten financiert. Het is dus niet mogelijk subsidie te krijgen voor een reeds volledig gefinancierd project. Verder zijn de administratieve eisen in de regeling beter geformuleerd en worden er hogere eisen aan de accountantsverklaring gesteld.

Maatregel 2 (bemiddeling) mag bij een bedrijf of instelling de subsidie voor niet meer dan twintig procent van het personeelsbestand worden toegepast. Dit percentage was tien procent.

Deelnemers aan projecten voor voortijdig schoolverlaters behoeven niet als werkzoekende bij een arbeidsbureau ingeschreven te zijn als zij zijn aangemeld bij een regionaal meldpunt voor voortijdige schoolverlaters.

Het Advies Arbeidsmarktrelevantie moet afgegeven worden door of namens de directie van het arbeidsbureau in het gebied waar het project wordt uitgevoerd. Vroeger was dit de taak van de directeur van het arbeidsbureau waar de deelnemende werklozen ingeschreven stonden.

Het ziet er naar uit dat veel meer instellingen gebruik willen maken van de ESF-budgetten, terwijl deze budgetten vergeleken met het subsidiejaar 1993 behoorlijk geslonken zijn.

Mogelijk worden er per regio budgetten per combinatie van maatregel en speerpunt ingesteld. Planning en inhoudelijke sturing door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn dus erg belangrijk.

De rol van het Comité van Toezicht voor de uitvoering van het Enig Programmeringsdocument voor doelstelling 3 van het Europees Sociaal Fonds in Nederland is veel belangrijker dan voorheen.

3. Van aanvraag tot laatste rapportage, van beschikking tot betaling eindsaldo.

In dit hoofdstuk wordt het traject van (voorbereiding van) de aanvraag tot Rapportage "Werkgelegenheid na afloop" en eindbetaling behandeld.

3.1 Aanvraag om subsidie.

De Aanvraag om subsidie uit het Europees Sociaal Fonds wordt gedaan op een formulier. Op dit moment is er nog geen nieuw formulier beschikbaar. Daarom vindt de aanvraag nog plaats op oude formulieren met aanvullende bijlagen.

Alleen volledige aanvragen kunnen ingediend worden. Een aanvraag is volledig als alle relevante vragen beantwoord zijn en er een goede projectomschrijving, advies arbeidsmarktrelevantie, een gespecificeerde kostenbegroting, specificatie van de publiekrechtelijke bijdrage en overige toelichtingen bijgevoegd zijn.

Zorg er voor dat de bijlagen van de aanvraag volledig, maar beknopt zijn. Het heeft geen zin ongevraagd beleidsplannen, jaarverslagen etc. bij te voegen. Bedenk dat de regionaal coördinator vaak in korte tijd een groot aantal projecten moet beoordelen. Zorg er daarom voor dat alle voor de beoordeling nodige gegevens op heldere wijze in de aanvraag verwerkt zijn.

Zo is het aan te bevelen in een bijlage goed te beargumenteren waarom de aanvraag voldoet aan prioriteit 1, de algemene selectiecriteria, de selectiecriteria van de gekozen maatregel, aan de gekozen specifieke actie en aan de criteria naar leeftijdscategorie.

3.1.1. Aanvraagformulier.

Bij het aanvraagformulier hoort een handleiding met aanvulling. Uiteraard leest u deze vooraf goed door. In aanvulling op de handleiding met aanvulling behandel ik hieronder een aantal onderwerpen.

Geef bij vraag 1.3, 1.4 en 1.5 als contactpersoon iemand op die het project van nabij kent. Voorkomen moet worden dat telefoontjes en brieven van de Regionaal Coördinator bij een functionaris zonder praktische kennis terecht komen. Dit levert tijdverlies en onduidelijke verantwoordelijkheden op.

Geef bij vraag 4.1 bij "diversen" niets op. Deze rubriek is uitsluitend bedoeld voor "andere kosten waarover tussen lidstaat en Commissie afspraken nodig zijn".

3.1.2. Projectomschrijving

In deze bijlage wordt duidelijk, maar beknopt, het project beschreven. De bij het project betrokken organisaties, hun taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, de wijze van aanpak van de werkgelegenheids- en bedrijfstakproblemen, de doelgroep, de wijze van werven van deelnemers, etc. worden uiteraard ook beschreven.

3.1.3 Kostenbegroting

De bij vragen 4.1 en 4.2 geraamde bedragen dienen uitgebreid toegelicht en gespecificeerd te worden. Uit de toelichting moet duidelijk blijken hoe de kosten geraamd en samengesteld zijn.

Hou rekening met aanvullende vragen van de Regionaal Coördinator. Zo experimenteren sommige regio's met een toetsing van de projectkosten aan normbedragen. Hiervoor zijn gegevens als groepsgrootte en dergelijke nodig.

3.1.4. Specificatie publiekrechtelijke bijdrage

De bij vraag 4.3 geraamde publiekrechtelijke bijdrage per kalenderjaar moet toegelicht en gespecificeerd worden. Hiervoor kunt u de volgende tabellen gebruiken.

Uiteraard dienen alle aan het project toe te rekenen inkomsten vermeld te worden. De gevraagde subsidie uit het Europees Sociaal Fonds kan niet hoger zijn dan de totale kosten, minus alle aan het project toe te rekenen publiekrechtelijke bijdragen en overige inkomsten.

Omschrijving en specificatie van bijdrage(n) publiekrechtelijke instelling(en)
(in ieder geval regeling en publiekrechtelijke instantie vermelden)

inkomen deelnemers (specificatie in de volgende tabel)

ƒ 

 

ƒ 

 

ƒ 

 

ƒ 

totaal bijdrage(n) publiekrechtelijke instelling(en)

ƒ 

Omschrijving en specificatie inkomen deelnemers en uitkerende instantie
(in ieder geval naam regeling en publiekrechtelijke instelling vermelden)

 

ƒ 

 

ƒ 

 

ƒ 

 

ƒ 

totaal inkomen deelnemers

ƒ 

3.1.5 Onderbouwing van gevraagde subsidie en aantal deelnemers per kalenderjaar.

Hier geeft u aan hoe u de gevraagde subsidie en aantal deelnemers per kalenderjaar geraamd hebt. Bedenk dat de subsidie per kalenderjaar berekend wordt. Als u voor het eerste jaar ƒ 50.000,00 en voor het tweede jaar ƒ 60.000,00 subsidie toegezegd krijgt, en u zou achteraf aanspraak maken op ƒ 40.000,00 en ƒ 70.000,00, komt u ƒ 20.0000,00 tekort. U kunt immers niet meer subsidie krijgen dan per kalenderjaar toegezegd, maar wel minder.

3.1.6. Communautaire Wetgeving en Beleid.

In deze bijlage wordt gemotiveerd op basis waarvan het project voldoet aan de vereisten van Communautaire Wetgeving en Beleid. Volgens de Handleiding bij het invullen van het aanvraagformulier voor subsidie van het Europees Sociaal Fonds 1993 wordt hieronder het volgende verstaan: "gelijke kansen voor mannen en vrouwen, maatregelen ten behoeve van midden- en kleinbedrijf, additionaliteit".

3.1.7. Kwalificaties, werkgelegenheidsvooruitzichten en termijn van werkaanvaarding

In deze bijlage geeft u tot welke vaardigheden, kwalificaties, algemeen erkende certificaten (diploma's) het project leidt. Verder worden de bij vragen 2.1.5 en 2.2.5 (werkgelegenheidsvooruitzichten) geraamde aantallen toegelicht en de bij vragen 2.1.6 en 2.2.6 geraamde termijnen van werkaanvaarding. Indien u bij vragen 2.1.6 en 2.2.6 ook uitstroom naar (vervolg)opleiding voorziet, wordt dit apart toegelicht.

3.1.8 Nieuwe technologieën

Als u bij vraag 3.2 uren "nieuwe technologieën" ingevuld hebt, beargumenteert u op een bijlage waarom deze uren "nieuwe technologieën" betreffen. Overigens zijn deze "nieuwe technologieën" sinds 1994 geen voorwaarde voor subsidie meer.

3.1.9 Wijze van administreren

Hier licht u toe hoe de projectadministratie opgezet is. Uit deze toelichting moet blijken dat de projectadministratie voldoet aan de administratievoorschriften van artikel 10 van de Regeling ESF.

Als de aanvrager de projectadministratie niet zelf doet, dient dit hier onder vermelding van de administrerende instelling toegelicht te worden. De hier aan verbonden kosten dienen in de toelichting op de kostenbegroting vermeld te worden.

3.1.10. Wijze van controle

Hier geeft u aan op welke wijze de aanvrager de voortgang van het project, de financiële afwikkeling en de projectadministratie zal controleren. Ook de wijze en tijdstip van inschakeling van de accountant komt hierbij aan de orde. Bedacht moet worden dat de aanvrager, ondanks de inschakeling van derden, zelf verantwoordelijk blijft voor een goede uitvoering van het project.

3.1.11 Advies Arbeidsmarktrelevantie

Het volledig ingevuld, toegelicht en ondertekend aanvraagformulier moet voor een Advies Arbeidsmarktrelevantie aan de directeur van het arbeidsbureau in het gebied waar het project uitgevoerd wordt, voorgelegd worden. De directeur licht een eventueel negatief advies schriftelijk toe. Het regionaal bestuur is niet aan dit advies gebonden.

3.1.12 Indienen van de aanvraag

De aanvraag wordt ingediend bij het Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening in de regio waar het project uitgevoerd wordt. Alleen volledige aanvragen kunnen in behandeling genomen worden.

Vaak zal de directeur van het arbeidsbureau na bij vraag 8 zijn advies ingevuld te hebben, de aanvraag spoedshalve zelf bij het Regionaal Bestuur of Regionaal Coördinatiepunt indienen. De aanvrager blijft hier echter voor verantwoordelijk. Zorg er daarom voor dat de aanvrager in ieder geval een afschrift van het Advies Arbeidsmarktrelevantie met eventuele bijlage, ontvangt en dat de datum van indiening aan hem meegedeeld wordt. Verstuur aanvragen altijd als (eventueel aangetekende) post met ontvangstbevestiging. De datum van indiening kan immers cruciaal blijken.

In artikel 7 van de Regeling ESF is bepaald dat een verzoek om verlening van subsidie wordt ingediend uiterlijk twee maanden nadat het project feitelijk is aangevangen door de start van activiteiten gericht op de deelnemers. Om niet in tijdnood te komen moet de aanvraag dus ruim voor afloop van die termijn voor het Advies Arbeidsmarktrelevantie bij de directeur Arbeidsbureau ingediend worden.

Genoemde termijn van twee maanden kan grote problemen geven als het Advies Arbeidsmarktrelevantie lang op zich laat wachten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de directeur van het arbeidsbureau voordat hij zijn advies geeft, een onderzoek noodzakelijk acht. Het kan naar mijn oordeel niet de bedoeling van de regeling zijn dat in zo'n geval de aanvraag wegens overschrijding van de termijn van twee maanden niet in behandeling genomen wordt. Aan de andere kant is de regeling op dit punt ondubbelzinnig en zou de externe accountant van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij een soepele opstelling van de kant van het Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening de rechtmatigheid van de toezegging in twijfel kunnen trekken.

3.2. Projectadministratie

In artikel 10 van de Regeling ESF is bepaald hoe de projectadministratie er uit moet zien. Het komt er op neer dat alle noodzakelijke gegevens tijdig, betrouwbaar en volledig in een aparte projectadministratie zijn vastgelegd. In deze projectadministratie worden gegevens van de deelnemers, het project en de financiën opgenomen. De vastgelegde gegevens moeten met Bewijsstukken geverifieerd kunnen worden. Waar mogelijk moet functiescheiding toegepast worden.

Onder "Noodzakelijke gegevens" worden alle gegevens verstaan die in de Aanvraag, kwartaalrapportages en einddeclaratie zijn opgenomen en de overige gegevens die voor een beoordeling van het recht op subsidie noodzakelijk zijn.

Om problemen achteraf bij het verkrijgen van een accountantsverklaring te voorkomen, is het aan te bevelen de accountant bij de opzet van de projectadministratie te betrekken. Misschien is het ook mogelijk de accountant tevens tijdens de looptijd van het project al te laten controleren. Op deze manier komt u eventuele problemen tijdig op het spoor, zodat u nog maatregelen kunt treffen.

3.2.1. Deelnemersgegevens

Per deelnemer wordt de volgende gegevens geregistreerd:

Deze geregistreerde gegevens moeten aan de hand van bewijsstukken te verifiëren zijn.

Zo dienen deelnemers aan het project als werkloos werkzoekend staan ingeschreven bij een arbeidsbureau. In de projectadministratie moet daarom een stuk waaruit deze inschrijving blijkt, opgenomen te zijn. Indien een deelnemer niet (lang genoeg) ingeschreven stond, moet uit een bewijsstuk blijken dat deze tot een van de uitzonderingscategorieën [migranten, gehandicapten, (herintredende) vrouwen, werklozen ouder dan 45 jaar, voortijdige schoolverlaters] behoort.

3.2.2. Projectgegevens

De projectgegevens betreffen de adressen, contactpersonen en dergelijke van aanvrager, uitvoerder en begunstigde, maar ook de aantallen totaal gerealiseerde uren (praktijk, theorie en werkervaring, nieuwe technologieën) en aantallen en soorten arbeids- en werkervaringsplaatsen. Deze laatste gegevens worden aan de hand van de deelnemersadministratie berekend.

3.2.3. Financiële gegevens

De financiële administratie geeft blijkens de regeling "inzicht in de subsidiabele kosten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend." In de administratie zijn daarom baten en lasten, inkomsten en uitgaven, vorderingen en schulden opgenomen.

In de administratie zijn de uitgavenposten geordend op de in de toelichting op de aanvraag om subsidie aangegeven manier. Hierdoor is een vergelijking van de raming in de aanvraag met de werkelijke realisatie mogelijk.

In vrijwel alle gevallen zal de uitvoerder ook niet uit het Europees Sociaal Fonds gesubsidieerde activiteiten, of verschillende ESF-gesubsidieerde projecten, uitvoeren. Dan moet uit kostenverdeelstaten de toerekening van de baten en lasten, inkomsten en uitgaven, schulden en vorderingen, aan het project blijken.

Deze toerekening moet natuurlijk op een billijke manier plaats vinden. Zo kan bij de toerekening van huisvestingskosten over het algemeen best van een gemiddeld bedrag per vierkante meter uitgegaan worden. Als het ESF-project echter vooral in een goedkoop gebouw uitgevoerd wordt en niet subsidiabele activiteiten in een duur gebouw, zal voor een verdeling van de kosten natuurlijk een andere berekeningswijze gekozen moeten worden.

3.3. Toezicht op de uitvoering

De aanvrager moet er voor zorgen dat alle medewerking verleend wordt aan controles en evaluatie-onderzoeken.

Een groot aantal instanties oefenen controle op een goede uitvoering van het ESF uit. Daarnaast geeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen regelmatig opdracht aan onderzoeksbureaus de toepassing van het ESF te onderzoeken.

In dit kader kunt u dus medewerkers van de regionale en centrale Arbeidsvoorzieningsorganisatie, van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van diverse Directoraten-Generaal van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, van de Algemene Rekenkamer, van de Europese Rekenkamer, van gemachtigde externe accountants en onderzoeksbureaus etc. over de vloer krijgen. Gelukkig komen ze nooit allemaal tegelijk.

3.4. De beschikking

In beginsel dient het betrokken Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening binnen acht weken na indiening van een volledige aanvraag een beschikking op de aanvraag te nemen. Deze termijn wordt verlengd met de tijd die nodig is voor het inwinnen van inlichtingen bij de aanvrager.

3.4.1. Budgetuitputting

Als het regionale budget waarop de aanvraag betrekking heeft, door eerder ingediende aanvragen uitgeput is, kan uiteraard geen subsidie verleend worden. Het Regionaal Bestuur kan de aanvraag dan om deze reden afwijzen of aanhouden.

In het eerste geval ontvangt de aanvrager een negatieve beschikking. De aanvrager heeft de mogelijkheid de aanvraag opnieuw in te dienen als er alsnog budget beschikbaar gekomen is. De opnieuw ingediende aanvragen worden dan op volgorde van de aanvankelijke datum van binnenkomst behandeld.

In het tweede geval wordt de aanvrager bericht dat de aanvraag om budgettaire redenen aangehouden wordt.

In artikel 6 van de Regeling ESF wordt in dit kader alleen de mogelijkheid genoemd van verhoging van budgetten. In de praktijk komt het echter ook nog wel eens voor dat budgetten vrijkomen door het verlagen van toezeggingen van subsidie. Een regionaal bestuur kan hiertoe besluiten als, bijvoorbeeld uit een gerapporteerde prognose, blijkt dat niet de gehele toegezegde subsidie gebruikt zal worden.

3.4.2 Negatieve beschikking

Als het regionaal bestuur van mening is dat de aanvraag niet (geheel) gehonoreerd dient te worden, zal een negatieve beslissing genomen worden. De aanvrager ontvangt dan een gemotiveerde beschikking. Tegen deze beschikking is beroep mogelijk.

3.4.3. Positieve beschikking

Bij een beschikking tot subsidieverlening wordt een afschrift van de gehonoreerde aanvraag gevoegd. Verder bevat de beschikking minimaal de doelstelling, de prioriteit, de maatregel en de specifieke actie van het project, het maximale subsidiebedrag en de totale projectkosten op basis waarvan de subsidie berekend is.

3.5. Voorschotbetalingen

Direct na subsidieverlening kan het regionaal bestuur een eerste voorschot van maximaal 50% van het subsidiebedrag voor het eerste subsidiejaar verstrekken.

De aanvrager kan om een tweede voorschot verzoeken als uit de kwartaalrapportages gebleken is dat het eerste voorschot voor meer dan de helft aan de uitvoering van het project besteed is. Het tweede voorschot is maximaal dertig procent van het toegezegde bedrag. Als de gerapporteerde prognose van de ESF-subsidie minder is dan het toegezegde bedrag is het tweede voorschot maximaal tachtig procent van deze prognose, minus het eerste voorschot. De aanvrager ontvangt dus een tweede voorschot van ƒ 14.000,00, als het toegezegde bedrag ƒ 100.000,00 is, de prognose ƒ 80.000,00 en het eerste voorschot ƒ 50.00,00 bedroeg ((ƒ 80.000,00   - ƒ 50.000,00).

Het eerste voorschot voor het eventuele tweede jaar kan op verzoek uitbetaald worden als het eerste voorschot voor het eerste jaar geheel en het tweede voor minstens de helft gebruikt is.

De voorschotten worden aan de in het aanvraagformulier aangegeven begunstigde overgemaakt. Deze moet de voorschotten aan de uitvoering van het project besteden of met aan de projectuitvoerder(s) verstrekte eigen voorschotten verrekenen. Deze geldstroom moet goed geadministreerd worden.

De voorschotten moeten geheel of gedeeltelijk terugbetaald worden als de subsidie op een lager bedrag vastgesteld wordt. De aanvrager is hiervoor verantwoordelijk.

3.6. Kwartaalrapportages

Elk kwartaal moet de aanvrager over de voortgang van het project rapporteren. Deze rapportage op het standaardformulier "Kwartaalrapportage ESF - Project" moet binnen twee weken na afloop van het kwartaal ingediend worden. In deze rapportage worden de ramingen in de aanvraag vergeleken met de werkelijke realisaties dit kalenderjaar en een prognose van de realisaties in het kalenderjaar. De derde kwartaalrapportage bevat dus cumulatieve gegevens over de eerste drie kwartalen en een prognose van het hele kalenderjaar.

Het is van groot belang de prognose zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen. Fouten in de prognose kunnen leiden tot ongebruikte of te lage subsidies.

Bij de vaststelling van de leeftijd en werkloosheidsduur van de aan het project deelnemende werklozen (vraag 2) wordt als peildatum de datum van aanvang deelname aan het project genomen. Als een deelnemer ten tijde van instroom in het project dus 24 jaar oud was, worden zijn gegevens bij vraag 2.2 meegenomen, ook al werd hij een dag later 25.

Het is denkbaar dat op het moment dat u de kwartaalrapportage in moet dienen, uw projectadministratie niet helemaal bijgewerkt is. U hebt bijvoorbeeld nog niet alle verklaringen van de uitkerende instanties binnen. Hierdoor kunt u nog geen definitieve cijfers inzake het "inkomen deelnemers" rapporteren. In zo'n geval kunt u de rapportage (gedeeltelijk) op een schatting baseren. In een bijlage van het rapportageformulier dient deze schatting dan wel uitgebreid gemotiveerd te worden. Zonder zo'n voorbehoud wordt er van uitgegaan dat de rapportage op harde cijfers gebaseerd is.

De Kwartaalrapportage wordt door medewerkers van het Regionaal Coördinatiepunt Europees Sociaal Fonds in de Regionale Applicatie ESF ingevoerd. Dit computersysteem signaleert eventuele inconsistenties en andere fouten, en genereert een validatierapport. Mede aan de hand van dit rapport zal de Regionaal Coördinator Europees Sociaal Fonds aanvrager mogelijk verzoeken de rapportage aan te passen.

3.7. Tussentijdse rapportages bij calamiteiten

In artikel 11 van de Regeling ESF is bepaald dat de aanvrager ingeval van bijzondere omstandigheden tussentijds rapporteert. Verder moet de aanvrager het bestuur onmiddellijk inlichten als er iets gebeurd waardoor het recht op subsidie gevaar loopt. Ook als de rechtbank verzocht is om verlening van surséance van betaling of faillietverklaring moet dit het bestuur onmiddellijk meegedeeld worden.

In zijn algemeenheid kun je stellen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden als van een raming in de aanvraag, of prognose in een kwartaalrapportage, met meer dan twintig procent afgeweken wordt. Als een aanvraag op honderd deelnemers gebaseerd is en het dreigen het er maar 79 te worden, moet het regionaal bestuur of de Regionaal Coördinator Europees Sociaal Fonds dus direct geschreven te worden. Het zelfde geldt als meer deelnemers dan gepland de opleiding niet afmaken of het inkomen deelnemers en de daaraan gekoppelde publiekrechtelijke bijdrage tegenvalt.

3.8. Herziene beschikking

Als blijkt dat het project niet volgens de planning in de aanvraag uitgevoerd wordt, en aannemelijk is dat de toegezegde subsidie niet gerealiseerd zal worden, kan het regionaal bestuur de subsidie verlagen en zonodig de subsidieperiode verkorten. Ook tegen deze beslissing kan beroep ingesteld worden.

In de Regeling ESF is bepaald dat als het project niet gestart is binnen twee maanden na verlening van de subsidie de verleende subsidie wordt ingetrokken. In geval van omstandigheden kan deze termijn van twee maanden op verzoek van de aanvrager verlengd worden.

Dit lijkt me bijvoorbeeld het geval bij vroegtijdig aangevraagde projecten. Het is immers niet verstandig aanvragen voor projecten die op 1 september beginnen, pas in april of mei in te dienen. Dan is er immers een grote kans dat de budgetten al op zijn. Bij eerder indienen en beschikken kan het project nooit binnen twee maanden beginnen.

3.9. Einddeclaratie

Binnen drie maanden na afloop van het project dient de aanvrager een einddeclaratie in. Het (nieuwe) model van deze einddeclaratie is nog niet vastgesteld. Einddeclaraties 1994 kunnen nog op het oude model ingediend worden.

In de einddeclaratie worden de kosten gespecificeerd en wordt verklaard dat aan alle subsidievoorwaarden is voldaan. De einddeclaratie heeft minimaal twee bijlagen: een of twee eindrapportages en een accountantsverklaring. Alleen door de controlerend accountant per pagina gewaarmerkte einddeclaraties met bijlagen worden in behandeling genomen.

3.9.1. Eindrapportage(s)

Bij de einddeclaratie wordt per kalenderjaar van de looptijd van het project een eindrapportage gevoegd. Zo'n eindrapportage is een extra gecontroleerde "Kwartaalrapportage ESF - Project" over het gehele kalenderjaar. In veel gevallen zal deze dus afwijken van de eerder ingediende laatste kwartaalrapportage(s).

3.9.2. Accountantsverklaring

De accountantsverklaring moet opgesteld zijn door een Registeraccountant of een Accountant - Administratieconsulent. De accountant moet in zijn verklaring aangeven tot welk bedrag de gedeclareerde kosten of deelnemersgegevens niet controleerbaar, dan wel niet in overeenstemming met de voorwaarden en voorschriften van de regeling zijn bevonden. Verder moet de verklaring gespecificeerd inzicht geven in de mede-subsidiëring van de aanvrager en eventuele andere betrokkenen.

In de accountantsverklaring mogen dus geen ongespecificeerde voorbehouden gemaakt worden. Bij elk voorbehoud moet een bedrag genoemd worden. Om gespecificeerd inzicht in de mede-subsidiëring te kunnen geven moet de accountant de geldstromen tussen aanvrager, andere publiekrechtelijke uitvoerders, Europees Sociaal Fonds en uitvoerder(s) nauwkeurig nagaan.

Het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening zal nog een een model voor een accountantsprotocol vaststellen.

3.9.3 Uitstel van indiening einddeclaratie

De aanvrager kan het Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening binnen drie maanden na afloop van het project schriftelijk om uitstel van indiening van de einddeclaratie verzoeken. Het regionaal bestuur is bevoegd uitstel tot uiterlijk zes maanden na afloop van het project te verlenen.

De aanvrager moet het verzoek om uitstel uiteraard goed motiveren. Het regionaal bestuur zal waarschijnlijk alleen uitstel verlenen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Het is erg onverstandig de einddeclaratie pas na zes maanden na afloop van het project in te dienen. De regionaal coördinator heeft daarna immers nog maar weinig tijd voor correspondentie en onderzoek ter plaatse.

3.10. Eindbeschikking

Aan de hand van de einddeclaratie en eventueel eigen onderzoek, stelt het regionaal bestuur de subsidie definitief vast. De definitieve subsidie is nooit hoger dan de toezegging en nooit hoger dan het bedrag dat blijkens de verklaring van de accountant controleerbaar en in overeenstemming met de voorschriften is. Uiteraard worden de verstrekte voorschotten verrekend. Uiteraard is ook tegen deze beslissing beroep mogelijk.

3.11. (Terug)betaling van het eindsaldo

Na het nemen van de eindbeslissing zal het regionaal bestuur het eindsaldo uitbetalen. Als de verstrekte voorschotten hoger zijn dan de uiteindelijk verstrekte subsidie moet het verschil terugbetaald worden. Het instellen van beroep schort de verplichting tot terugbetaling niet op. Zonodig kan het regionaal bestuur verzocht worden uitstel van terugbetaling te verlenen. Als dit uitstel geweigerd wordt kan de voorzitter van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven ingeschakeld worden. Bij niet tijdige terugbetaling is de aanvrager de wettelijke rente verschuldigd.

3.12. Rapportage "Werkgelegenheid na afloop"

Na afloop van het project rapporteert de aanvrager nog twee keer over de werkgelegenheid na afloop en de vervolgopleidingen van de deelnemers. Deze rapportages moeten binnen twee weken na de kwartalen na afloop van het project ingediend worden. In sommige regio's moeten hiervoor de vragen 2.1.5 & 2.1.6 en / of 2.2.5 en 2.2.6 van de Kwartaalrapportage ESF - Project ingevuld worden. Andere regio's willen meer informatie hebben en hebben daartoe een eigen formulier ontwikkeld.

3.13. Administratief beroep

Personen en instellingen die direct belang bij een beslissing hebben, kunnen binnen zes weken na de dag waarop de beschikking is toegezonden administratief beroep instellen door bij het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening een beroepsschrift in te dienen.

Het beroepsschrift dient tenminste te bevatten:

Als de beslissing van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening op dit beroepsschrift niet bevalt, kan nog beroep aangetekend worden bij de onafhankelijke rechter, het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.


Arbeidsvoorzieningsorganisatie

Regeling Europees Sociaal Fonds (CBA, 1994)

[De artikelgewijze toelichting is, cursief gedrukt, achter de tekst van het betreffende artikel opgenomen.]

CBA nr. 1994/187

Het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening,
Overwegende,
dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een overeenkomst heeft gesloten (Stcrt. 1991,192), op grond waarvan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in Nederland zal optreden als de voor de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen (EG) van 24 juni 1988, nr. 2052/88 (Pb. EG L 185);
dat dientengevolge het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening de Arbeidsvoorzieningsorganisatie vertegenwoordigt in het partnerschap, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de EG-verordening nr. 2052/88, ten behoeve van de verwezenlijking van de doelstelling 3 in Nederland;
dat de doelstelling 3, het bestrijden van langdurige werkloosheid en het vergemakkelijken van de inschakeling in het arbeidsproces van jongeren en met uitsluiting van de arbeidsmarkt bedreigde personen, - genoemd in artikel 1 van de EG- verordening nr. 2052/88 - van het Europees Sociaal Fonds voor het gehele Nederlandse grondgebied, exclusief de regio's van doelstelling 1, geldt;
dat het wenselijk is de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter beschikking gestelde financiële middelen voor verwezenlijking van de doelstelling 3 nader te verdelen in budgetten voor de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening, en deze besturen de bevoegdheid te verlenen ten laste van deze budgetten subsidie toe te kennen.
dat het wenselijk is, gezien het aanmerkelijke aantal wijzigingen, tot hercodificatie over te gaan van de huidige nationale ESF-regeling, door intrekking van de huidige regeling en vaststelling van een nieuwe regeling;
Gelet op de verordeningen van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1988, nr. 2052/88 (Pb. EG L 185),
van 19 december 1988, nr. 4253/88 (Pb. EG L 374) en van 19 december 1988, nr. 4255/88 (Pb. EG L 374), zoals laatstelijk gewijzigd op 20 juli 1993 met de verordeningen van deze Raad nrs 2081/93, 2082/93 en 2084/93;
Gelet op de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 17 augustus 1994, nr C(94) 1414, waarbij de Commissie het Enig Programmeringsdocument voor de structurele bijstandsverlening door de Gemeenschap (het Europees Sociaal Fonds) voor het gehele Nederlandse grondgebied met betrekking tot doelstelling 3 heeft goedgekeurd voor de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1999, onder vaststelling van prioritaire zwaartepunten en van een indicatief financieringsplan;
Gelet op artikel 99, tweede lid, van de Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402);

Besluit:

Artikel 1 - definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  1. Europees Sociaal Fonds: het fonds bedoeld in artikel 123 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (Trb. 1957, 91);
  2. Centraal Bestuur: het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet;
  3. Regionaal Bestuur: een Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet, binnen welks regio de feitelijke realisatie van het project door de uitvoerder plaatsvindt;
  4. Comité van Toezicht: het voor Nederland ingestelde comité voor de doelstelling 3 als bedoeld in artikel 25 van de EG-verordening van 19 december 1988, nr. 4253/88 (Pb. EG L 374), laatstelijk gewijzigd op 20 juli 1993 met EG-verordening nr 2082/93 (Pb. EG L 193);
  5. aanvrager: een Nederlandse overheidsinstantie, dan wel Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, die zich bereid heeft verklaard tot mede-subsidiëring van activiteiten, waarvoor subsidie uit het Europees Sociaal Fonds wordt gevraagd;
  6. begunstigde: de publiek- dan wel privaatrechtelijke rechtspersoon aan wie subsidie- en voorschotbetalingen worden verricht;
  7. uitvoerder: de publiek- danwel privaatrechtelijke rechtspersoon die in opdracht van de aanvrager belast is met de feitelijke uitvoering, danwel in samenwerkingsverbanden het grootste aandeel heeft in de feitelijke uitvoering, van het in de aanvraag weergegeven project;
  8. doelstelling 3: de bestrijding van langdurige werkloosheid en het vergemakkelijken van de inschakeling in het arbeidsproces van jongeren en met uitsluiting van de arbeidsmarkt bedreigde personen, bedoeld in artikel 1, onder 3, van de EG-verordening nr. 2052/88, zoals laatstelijk gewijzigd bij EG-verordening nr 2081/93;
  9. EPD: het Enig Programmerings Document voor de structurele bijstandsverlening door de Gemeenschap uit hoofde van doelstelling 3 in Nederland, zoals goedgekeurd en vastgesteld door de Europese Commissie voor Nederland bij beschikking van 17 augustus 1994, nr C(94)1414, en van kracht voor de periode 1 januari 1994 tot en met 31 december 1999;
  10. prioriteit: een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het EPD vastgestelde prioriteit in het kader van de uitvoering van doelstelling 3;
  11. maatregel : een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het EPD vastgestelde maatregel in het kader van de uitvoering van doelstelling 3;
  12. actie: een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het EPD vastgestelde actie in het kader van de uitvoering van doelstelling 3;
  13. project: het samenhangend geheel van activiteiten, waarvoor een subsidie uit het Europees Sociaal Fonds wordt gevraagd.
De definities geven een drietal benamingen te zien, namelijk, de aanvrager, de uitvoerder en de begunstigde, die ook op het aanvraagformulier voorkomen. Deze benamingen kunnen allen de aanvrager betreffen. De situatie kan zich echter voordoen dat de aanvrager zelf niet de uitvoerder en/of begunstigde is. Uitgangspunt van de regeling blijft echter dat de aanvrager dan eindverantwoordelijk is voor de naleving van de voorwaarden van de regeling. Alle rechten en plichten liggen dus bij de aanvrager. Indien derden als begunstigde en/of uitvoerder fungeren wordt dit niet anders. De begunstigde is in principe niet meer dan een betaaladres voor de subsidieverlening.

Artikel 2 - de subsidiegrondslag

  1. Met inachtneming van de bepalingen van deze regeling kan aan een aanvrager subsidie ten laste van het Europees Sociaal Fonds worden verleend.
  2. Subsidie uit het Europees Sociaal Fonds wordt slechts verleend, indien de aanvrager zorgdraagt voor een mede-subsidiëring in de kosten van minimaal 55% van de subsidiabele kosten van het project.
  3. De subsidie uit het Europees Sociaal Fonds bedraagt maximaal 45% van de subsidiabele kosten van het project.
  4. Het totaal van de in het tweede en derde lid bedoelde subsidies kan niet meer bedragen dan 100% van de subsidiabele kosten van het project.
  5. Indien de activiteiten door of vanwege een natuurlijk persoon of een rechtspersoon met winstoogmerk worden uitgevoerd wordt slechts maximaal 90% van de subsidiabele projectkosten voor subsidiëring in aanmerking genomen. De subsidie uit het Europees Sociaal Fonds bedraagt in dat geval maximaal 40,5 % van de subsidiabele kosten van het project.

De instanties die ESF-subsidie kunnen ontvangen zijn:

  1. Overheden c.q. publiekrechtelijke instanties (dus ministeries, provincies, gemeenten, schappen etc.) en
  2. particulieren c.q. privaatrechtelijke instanties zoals ondernemingen (naamloze en besloten vennootschappen), stichtingen en verenigingen.

De belangrijkste voorwaarde die het ESF stelt, is dat Nederlandse publiekrechtelijke instanties en/of overheden de projecten meefinancieren en dat deze overheden daarbij de aansprakelijkheid aanvaarden voor een doelmatig beheer van middelen volgens voorschriften van de Europese Commissie.

Hierbij worden tevens de bij algemeen verbindend verklaarde CAO opgerichte O&O-Fondsen, Bedrijfsverenigingen, AWO-Fonds in het kader van ESF-subsidie beschouwd als publiekrechtelijke instanties die een aanvraag kunnen indienen en wordt hun bijdrage in de subsidiabele kosten aangemerkt als overheidsbijdrage. De overheidsinstantie die een project meefinanciert, moet dan ook voor de aanvraag om subsidie het voorgeschreven formulier ondertekenen, dat tegelijkertijd de aansprakelijkheid regelt.

Duidelijk is dat deze voorwaarde geen probleem oplevert voor een overheid die èn als begunstigde en als subsidie-aanvrager optreedt: als deze zijn project (voor het vereiste deel) zelf bekostigt, is aan de eis van het ESF automatisch voldaan.

Voor een privaatrechtelijke instelling ligt dat anders. Deze instelling moet voor het project waarvoor subsidie aan het-ESF wordt gevraagd, ook subsidie krijgen van een Nederlandse overheid. Tevens moet deze overheid bereid gevonden worden als aanvrager van ESF-subsidie op te treden en het formulier te ondertekenen.

Het ESF financiert met de publiekrechtelijke instanties mee in de totale subsidiabele projectkosten. Het aandeel van het ESF in deze gezamenlijke bijdrage is max. 45% daarvan; zodat de publiekrechtelijke instanties minimaal 55% dienen bij te dragen. De ESF-subsidie bedraagt derhalve max. 45/55 deel van de overheidsbijdrage in de subsidiabele kosten. Ten aanzien van projecten die betrekking hebben op bemiddeling van werklozen geldt, dat hiervoor een forfaitair bedrag per deelnemer per fulltime-week beschikbaar wordt gesteld. Dit bedrag wordt jaarlijks vastgesteld door het Comité van Toezicht en bedraagt voor 1994 en 1995 maximaal ƒ 104,00. Indien er sprake is van parttime-werk vindt de vergoeding naar rato plaats. Van instellingen met winstoogmerk wordt een minimale bijdrage van 10% in de totale kosten vereist.

Het totaal van de co-financiering door publiekrechtelijke instellingen, vanuit het ESF en uit overige inkomsten kan nooit hoger zijn dan het totaal van de subsidiabele kosten. Als dit wel het geval is, wordt de ESF-bijdrage daarmee omlaag bijgesteld. Bij het opvoeren van uitkeringen als subsidiabele kosten dient de omvang van dat bedrag minimaal tot uitdrukking te komen als publiekrechtelijke cofinanciering.

Onderstaand is de systematiek gegeven volgens welke de ESF-subsidie wordt berekend.

Totale subsidiabele kostenƒ _____________  
Financiering:
Bijdrage publiekrechtelijke instellingen inzake inkomen deelnemers (= uitkeringskosten)ƒ _____________   
Overige publiekrechtelijke bijdrage ƒ _____________ +
Totaal publiekrechtelijke bijdrageƒ _____________   
Privaatrechtelijke bijdrageƒ  _____________   
Overige inkomstenƒ _____________ +
Subtotaal financiering exclusief ESFƒ _____________ -
Financieringssaldo(A) ƒ _____________  
Berekening ESF-subsidie:
45% van de totale subsidiabele projectkosten:(B) ƒ _____________  
OF:
45/55e deel van de totale publiekrechtelijke bijdrage:(C) ƒ _____________  
OF (bij toepassing van maatregel 2, bemiddeling):
_____ weken x ƒ _______ (maximaal ƒ 104,00):(D) ƒ _____________  
Gevraagde subsidie (het laagste bedrag in A, B, C of D met als maximum het financieringssaldo)ƒ _____________ -
Verschil kosten/financieringƒ ______0______  

Artikel 3 - formele criteria van het project

De subsidie wordt slechts verleend indien en voorzover voldaan wordt aan de vigerende Europese en nationale regelgeving, de daarop gebaseerde beschikkingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen ten aanzien van het Europees Sociaal Fonds, alsmede de bindende aanwijzingen op grond van die regelgeving gegeven door het Comité van Toezicht.

Artikel 4 - inhoudelijke criteria van het project

  1. De subsidie wordt slechts verleend voor een project dat activiteiten omvat gericht op verbetering van de werking van de arbeidsmarkt en voldoet aan de selectiecriteria als vastgesteld door het Comité van Toezicht, zoals opgenomen in bijlage 1, behorende bij deze regeling.
  2. Naast de in het eerste lid bedoelde criteria gelden tevens de navolgende voorwaarden:
    1. passen binnen het kader van doelstelling 3;
    2. passen binnen een prioriteit, alsmede de daartoe aangegeven maatregelen en acties;
    3. voldoen aan de nadere criteria, opgenomen in het EPD;
    4. naar het oordeel van het Regionaal Bestuur geen verdringing van reguliere arbeidsplaatsen of concurrentievervalsing tot gevolg zal kunnen hebben, en
    5. naar het oordeel van het Regionaal Bestuur, daarbij het advies, bedoeld in artikel 7, lid 3, betrekkend, arbeidsmarktrelevant zijn.
  3. Geen subsidie wordt verleend voor projecten in het kader van het reguliere beroepsonderwijs.

Toelichting op artikelen 3 en 4

In deze artikelen komt de inbedding en afhankelijkheid van de onderhavige regeling in de Europese reglementering met betrekking tot de structuurfondsen in het algemeen en het Europees Sociaal Fonds (ESF) in het bijzonder tot uitdrukking. De materiële normstelling geschiedt hetzij door de Raad en/of de Commissie van de Europese Gemeenschappen hetzij door het laatstgenoemde communautaire orgaan tezamen met de betrokken nationale overheden en instellingen in het kader van het partnerschap.

De Arbeidsvoorzieningsorganisatie is verantwoordelijk voor een goede uitvoering van het Europees Sociaal Fonds binnen Nederland. Deze door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gedelegeerde taak brengt de bevoegdheid met zich mee administratieve procedures ter zake van het ESF vast te stellen alsmede te beschikken op ingediende subsidie-aanvragen in dat kader.

Naast de relevante bepalingen van de EG-verordeningen zelf wordt het subsidiekader bepaald door de volgende besluiten:

Daarnaast geldt meer algemeen de eis dat het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, moet aansluiten bij het Gemeenschapsbeleid. Concreet betekent dit dat projecten verenigbaar moeten zijn met het Europese beleid ondermeer aangaande mededinging, overheidsopdrachten en gelijke kansen voor mannen en vrouwen.

Ook de in 1993 aangepaste EG-verordeningen met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds schetsen dit brede kader en noemen expliciet deze Europese grondbeginselen.

Artikel 4, derde lid, bevat een afwijzingsgrond. Beroepsopleidingsprojecten in het kader van het reguliere beroepsonderwijs -die dus op de begroting staan van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en bestemd zijn voor scholieren en studenten - komen niet voor subsidie in aanmerking. Voor alle beroepsopleidingsprojecten in het kader van het Kaderregeling Bedrijfstaksgewijze Scholing, KBS, (waarvan het leerlingwezen onderdeel uitmaakt) en het KMBO geldt dat deze wel subsidiabel zijn als zij bestemd zijn voor werklozen, w.o. voortijdig schoolverlaters.

Artikel 5 - subsidiabele kosten

  1. Subsidie kan slechts worden verleend voor de navolgende kosten:
    1. kosten van instructiepersoneel;
    2. exploitatiekosten;
    3. inkomen en vergoedingen deelnemers;
    4. aan het project toerekenbare overheadkosten;
    5. andere door het Comité van Toezicht voor vergoeding aangewezen kosten.
    6. Een nadere specificatie van de hier bedoelde subsidiabele kosten, alsmede een aanduiding van expliciet niet subsidiabele kosten, is opgenomen in de bijlage 2 behorende bij deze regeling.
  2. Vergoeding van deze kosten vindt slechts plaats naar rato van het vergoedingenniveau dat naar het oordeel van het Regionaal Bestuur voor dergelijke kosten gebruikelijk is, danwel als redelijk en billijk wordt aangemerkt.

In de Europese Verordeningen (met name artikel 2 van Verordening (EG) nr 4255/88), wordt het kader aangegeven van subsidiabele en niet- subsidiabele kosten. Dit is door het Comité van Toezicht nader uitgewerkt en geconcretiseerd in bijlage 2.
Ten algemene zijn in dit artikel de hoofdgroepen aangegeven.
Aangezien het logischerwijs niet de bedoeling is dat kosten aan ESF-projecten worden toegerekend die hiervoor feitelijk niet zijn gemaakt, danwel hoger uitvallen dan gebruikelijk is (bijvoorbeeld het oversalariëren van ingezette mankracht, aanschaf van onevenredig dure hulpmiddelen etc.) is ruimte gelaten voor een toetsing naar redelijkheid en billijkheid door het Regionaal Bestuur.

Artikel 6 - budgettering

  1. Het Centraal Bestuur bepaalt jaarlijks op welke wijze het door de Commissie van de Europese Gemeenschappen beschikbaar gesteld budget over de Regionale Besturen wordt verdeeld en stelt de regionale budgetten vast. Deze budgetten kunnen tussentijds worden bijgesteld.
  2. Indien en voorzover het budget, dat in het betrokken jaar, waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, voor een Regionaal Bestuur per combinatie van doelstelling prioriteit actie en/of maatregel beschikbaar is, is uitgeput door het totaal van toezeggingen door dat Regionaal Bestuur ten laste van dat jaar kan geen subsidieverlening plaatsvinden.
  3. Zodra het budget is uitgeput wordt hiervan aan de aanvragers, wier verzoek nog niet is afgehandeld, mededeling gedaan.
  4. Indien na een budgetuitputting, als in het tweede lid bedoeld, alsnog tot een herziening van de aanvankelijk gestelde budgetten wordt besloten, kunnen aanvragen welke aanvankelijk om reden van budgetuitputting zijn afgewezen alsnog tot subsidieverlening leiden. De volgorde van behandeling wordt bepaald door de aanvankelijke volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

In het EPD heeft de Europese Commissie de voor Nederland beschikbare financiële ruimte in het kader van het ESF gedefinieerd. Dit document vormt derhalve de basis voor de regionale budgettering. De wijze van verdeling van de beschikbare financiële middelen over de regio's kan tussentijds verandering ondergaan, hetzij door besluitvorming op communautair niveau hetzij door verschuiving tussen de regio's in Nederland op grond van arbeidsmarktoverwegingen. De budgetten dienen conform de Algemene wet bestuursrecht gepubliceerd.
De aanvragen worden (conform artikel 102 van de Arbeidsvoorzieningswet) afgehandeld in volgorde van binnenkomst. Ingeval van budgetuitputting wordt verdere subsidieverlening van binnengekomen aanvragen stopgezet. Indien door budgetuitputting een aanvraag gedeeltelijk kan worden gehonoreerd, wordt de subsidie verleend ter hoogte van het restbudget.
Vanzelfsprekend kan dit slechts als dit volgens de aanvrager/uitvoerder een normale projectuivoering niet in de weg staat.
Aldus wordt een maximale benutting van beschikbare budgetten bereikt.

Indien door een herverdeling van budgetten een aanvankelijke uitputting ongedaan wordt gemaakt en hierdoor alsnog subsidieverleningen kunnen plaatsvinden, dienen de hierdoor niet gehonoreerde aanvragen, opnieuw te worden ingediend. Het tijdstip van de indiening van de aanvankelijke aanvraag bepaalt de behandelingsvolgorde.

Artikel 7 - de aanvraag

  1. Een verzoek tot verlening van subsidie kan slechts worden ingediend door een aanvrager.
  2. Een verzoek tot verlening van subsidie wordt ingediend uiterlijk twee maanden nadat het project feitelijk is aangevangen door de start van activiteiten gericht op de deelnemers.
  3. Een verzoek tot verlening van subsidie dient te geschieden door middel van een ondertekend aanvraagformulier, overeenkomstig een door het Centraal Bestuur vastgesteld model. Bij de aanvraag moeten de in het formulier vermelde gegevens en stukken worden overgelegd.
  4. Tot de voor het project relevante gegevens behoren in elk geval:
    1. een naar het oordeel van het Regionaal Bestuur toereikende projectomschrijving;
    2. een arbeidsmarktrelevantie-advies van of namens de directie van het arbeidsbureau in het gebied waar het project wordt uitgevoerd;
    3. een voldoende gespecificeerde kostenbegroting die per onderdeel is toegelicht en aangeeft op welke wijze de mede-subsidiëring als bedoeld in artikel 2, tweede lid, plaatsvindt.

De subsidie kan alleen worden aangevraagd door overheden dan wel publiekrechtelijke instanties die zich eveneens bereid hebben verklaard een subsidieverplichting aan te gaan jegens het arbeidsmarktproject waarvoor ESF-subsidie wordt gevraagd.
De wijze waarop mede-subsidiëring plaatsvindt moet duidelijk worden aangegeven.
Het aanvraagformulier bevat alle gegevens die dienen te worden overgelegd om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van de onderhavige regeling. Het formulier dient naar waarheid te zijn opgemaakt en ondertekend. Alle bijlagen moeten worden bijgevoegd.
Het moment van aanvraag biedt het Regionaal Bestuur de mogelijkheid een marginale toetsing uit te voeren of het projectvoorstel dusdanig van opzet en inhoud is dat verwacht mag worden dat bij een correcte uitvoering aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan.
Voorkomen moet worden dat op basis van een slechte projectopzet subsidie wordt verleend.
Als overigens mocht blijken dat het niet aannemelijk is dat tot daadwerkelijke uitvoering zal worden gekomen dient dit eveneens reden te zijn om dit in deze beoordeling te betrekken.

Het gehele jaar door kunnen subsidie-aanvragen worden ingediend. De behandeling vindt plaats op volgorde van binnenkomst van volledig ingediende aanvragen met inachtneming van de bepalingen van de Subsidieregeling ESF voor doelstelling 3.
Hoewel het aanbeveling verdient om ESF-subsidie-aanvragen in te dienen voordat een te subsidiëren project start, is het mogelijk om alsnog een subsidie-aanvraag in te dienen binnen twee maanden na de start van het project. Een tijdig ingediende en volledige aanvraag bespoedigt de subsidietoezegging en kan ertoe bijdragen dat de beslissing reeds bekend is voorafgaande aan de start van het project. Over de financiering ervan behoeven dan geen misverstanden te ontstaan.

Artikel 8 - de subsidieverlening

De beschikking tot subsidieverlening vermeldt minimaal de doelstelling, de prioriteit, de maatregel en de actie van het project, waarvoor subsidie wordt verleend, het maximale subsidiebedrag, alsmede de totale projectkosten welke als basis voor de berekening van de subsidie dienen.

Artikel 9 - bevoorschotting

Voorschotbetalingen kunnen als volgt worden gedaan:
  1. een eerste voorschot van maximaal 50% van het subsidiebedrag voor het eerste subsidiejaar wordt direct verstrekt bij de subsidieverlening.
  2. een tweede voorschot van maximaal 30% van het subsidiebedrag voor het subsidiejaar kan op verzoek worden verstrekt, indien door middel van een of meerdere tussentijdse (kwartaal)rapportages is aangetoond dat het eerste voorschot voor tenminste de helft is gebruikt voor de uitvoering van het betrokken project en de prognose niet verlaagd is.
  3. de voorschotten voor het tweede subsidiejaar worden op vergelijkbare wijze verstrekt, mits het eerste voorschot voor het eerste subsidiejaar volledig en het tweede voorschot voor het eerste subsidiejaar voor tenminste de helft is gebruikt.

Toelichting op artikelen 8 en 9

Als de aanvraag wordt gehonoreerd wordt een beschikking opgemaakt. Bij de beschikking wordt een afschrift van de gehonoreerde aanvraag gevoegd. Op deze aanvraag is de begunstigde aangegeven. In deze beschikking staat het maximaal te betalen bedrag als aan alle voorwaarden wordt voldaan, hetgeen zal moeten blijken bij de eindverantwoording.

Deze beschikking, ofwel de subsidieverlening, en de op basis hiervan betaalde voorschotten hebben als het ware het karakter van een voorwaardelijke toekenning/betaling.
Ingeval de eindverantwoording leidt tot vaststelling van het subsidiebedrag op een lager niveau, dient derhalve onverwijld verrekening en/of terugbetaling plaats te vinden.
Voorschotbetalingen gebeuren op verzoek; echter in beginsel wordt de eerste voorschotbetaling automatisch gedaan. Bij subsidies over meerdere jaren geldt een trapsgewijze bevoorschotting, afhankelijk van de voortgang van het project.
De bevoorschotting, en eindbetaling vindt plaats aan de instelling die door de aanvrager (die verantwoordelijk is voor de goede uitvoering van het project) als begunstigde wordt aangemerkt.

Artikel 10 - administratievoorschriften

  1. De aanvrager draagt er zorg voor dat een aparte project-administratie wordt gevoerd, bestaande uit een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, betrouwbaar en volledig zijn vastgelegd en zijn te verifiren met bewijsstukken. Waar mogelijk dienen voldoende waarborgen te bestaan ten aanzien van functiescheiding.
  2. De deelnemersadministratie geeft inzicht in de geplande, gerealiseerde en geprognosticeerde prestaties in termen van deelnemers en uren.
  3. De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend. Deze bevat derhalve:
    1. baten en lasten;
    2. inkomsten en uitgaven;
    3. vorderingen op ESF en of/derden;
    4. schulden aan ESF en/of derden.
  4. De administratie dient aldus te zijn opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate tussentijdse rapportages.
  5. De administratie biedt voldoende mogelijkheden voor een goede accountantscontrole en controle op de juiste naleving van de subsidievoorwaarden.
  6. Indien de administratie niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, wordt bij de aanvraag opgave gedaan van de instelling die de administratie voert.

Het vereiste van een goede projectadministratie is van groot belang. De aanvrager is hiervoor verantwoordelijk, ook als de administratie elders, bijvoorbeeld bij de uitvoerder, wordt gevoerd. De opgevoerde kosten moeten aantoonbaar zijn op factuurniveau. Een onjuiste, onvolledige of ontoegankelijke administratie belemmert een goede accountantscontrole en dus een goede eindverantwoording. Tevens dient in het kader van uit te voeren controles, tot en met het niveau van de Commissie der Europese Gemeenschappen, een goed inzicht te kunnen worden gekregen in wat feitelijk is gebeurd.
De overheidsorganisatie die de subsidie aanvraagt moet garant moet staan voor de juiste besteding van de gelden en dus ook zorg dragen voor de juiste administratie van en rapportage over de voortgang van het project. Als blijkt dat de gelden niet op de juiste wijze zijn gebruikt, is de organisatie in kwestie gehouden (een deel van) de subsidie terug te betalen.
De aanvrager is ervoor verantwoordelijk dat wordt zorggedragen voor een administratie die voldoet aan de daaraan te stellen eisen (zie hierna) en dat de bevoorschotting en eindbetaling (financiering) van het project tijdig en ongestoord verloopt; conform de door het ESF gestelde eisen.

Artikel 11 - rapportage

  1. De aanvrager rapporteert binnen twee weken na de afloop van elk kwartaal, alsmede tussentijds, ingeval van bijzondere omstandigheden, door volledige en waarheidsgetrouwe informatie te geven over de voortgang van het project waarvoor subsidie is verleend door middel van daarvoor ter beschikking gestelde standaardformulieren, waarvan het model is vastgesteld door het Centraal Bestuur.
  2. De aanvrager rapporteert binnen twee weken na afloop van het eerstvolgende kwartaal, alsmede binnen twee weken na afloop van het daaropvolgende kwartaal, na beindiging van het project over de effecten van het project aangaande uitstroom naar werk en/of vervolgopleidingen van de deelnemers, door middel van daarvoor ter beschikking gestelde standaardformulieren, waarvan het model is vastgesteld door het Centraal Bestuur.
  3. De aanvrager doet aan het Regionaal Bestuur onverwijld mededeling over alle feiten en omstandigheden, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij invloed kunnen hebben op het voortbestaan van het recht op subsidie.
  4. De aanvrager doet onverwijld mededeling aan het Regionaal Bestuur van een verzoek aan de rechtbank tot verlening van surséance van betaling of tot faillietverklaring van de uitvoerder.

Om de voortgang van een project goed te kunnen volgen, tijdig en adequaat te kunnen ingrijpen, alsmede een goede analyse te kunnen uitvoeren voor de haalbaarheid van (vervolg-)projecten dient op een goede manier over de voortgang en eindresultaten van het project te worden gerapporteerd. De inhoud van deze rapporten dient een gelijkwaardige kwaliteit en juistheid te hebben als de eindverantwoording. Afwijkingen van de tussenrapportages op fundamentele onderdelen zullen hierdoor beperkt blijven.
Tevens is gekozen voor een actieve melding van gebeurtenissen die het project aanmerkelijk beïnvloeden, opdat de verdere voortgang kan worden bepaald. De sanctie bij overtreding van deze voorschriften is beschreven bij
artikel 15.

Artikel 12 - toezicht

De aanvrager is verplicht alle medewerking te verlenen aan evaluatie-onderzoeken en aan toezicht van en controles door met de uitvoering van het ESF belaste instanties en door deze aan te wijzen derden. Indien de aanvrager niet tevens de uitvoerder en/of begunstigde is van het project dient de aanvrager er voor zorg te dragen dat de uitvoerder en/of begunstigde dezelfde medewerking verleent als in de voorgaande volzin bedoeld.

Zie ook de toelichting bij artikel 10.
Gezien de omvang van de bedragen die met de bijstandsverlening van het ESF gemoeid zijn en het belang van de doeleinden waarvoor de bijstand wordt verleend, heeft de Europese Commissie besloten dat toezicht en evaluatie noodzakelijk zijn. Daartoe is, in samenwerking met de partners in de lidstaten, een samenhangend systeem van toezicht en evaluatie ontworpen, dat het mogelijk maakt waar nodig bij te sturen.
Via een materiële en financiële voortgangsrapportage aan een Comité van Toezicht, waarin de EC, de lidstaat en de partner(s) in de lidstaat zijn vertegenwoordigd, kan bezien worden of de projecten er toe leiden, dat de doelstellingen van de bijstandsverlening worden bereikt.
Hiertoe dienen ook de van de aanvragers gevraagde kwartaalrapportages.
De evaluatie vindt op drie niveaus plaats:

  • macro-economisch, niveau EG;
  • niveau Enig Programmeringsdocument;
  • micro-economisch, niveau programma c.q. groot project.

Indien nodig kunnen Arbeidsvoorziening, het Comité van Toezicht, al of niet in overleg met de EC, er voor zorgen dat de uitvoering van de projecten wordt bijgesteld, zodat een gesignaleerde ongewenste ontwikkeling wordt voorkomen. Niet alleen de aanvrager, maar in voorkomende gevallen ook de uitvoerder en de begunstigde, dienen zocht te onderwerpen aan toezicht en controle door de in het kader van de ESF-regelgeving daartoe bevoegde instanties.

Artikel 13 - declaratie

  1. De aanvrager dient binnen drie maanden na de einddatum van het project een volledige, naar kosten gespecificeerde en naar waarheid ondertekende einddeclaratie in voorzien van een verklaring, dat aan alle subsidievoorwaarden is voldaan.
  2. Het Regionaal Bestuur kan op schriftelijk verzoek van de aanvrager toestaan, dat de indiening van de einddeclaratie na genoemde drie maanden, doch in elk geval binnen zes maanden na de einddatum van het project, plaatsvindt. Het verzoek wordt binnen de in het eerste lid genoemde termijn ingediend.
  3. De einddeclaratie is ingericht volgens een door het Centraal Bestuur vast te stellen model en volgens de daarbij behorende voorschriften.
  4. De einddeclaratie is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek volgens een door het Centraal Bestuur vast te stellen model.
    Uit de verklaring dient te blijken tot welk bedrag de gedeclareerde kosten of deelnemersgegevens niet controleerbaar dan wel niet in overeenstemming met de voorwaarden en voorschriften van deze regeling zijn bevonden, alsmede gespecificeerd inzicht te geven in de mede-subsidiëring van de aanvrager en eventuele andere betrokkenen.

De eindverantwoording dient de goedkeurende verklaring van een accountant te bevatten. Bij geconstateerde onvolledigheden dienen deze duidelijk door de accountant te worden aangegeven.
De termijn van declaratie is beperkt tot drie, uiterlijk zes, maanden, doch desalniettemin van groot belang, aangezien deze afgestemd zijn op de, voor de verantwoording aan de Diensten van de Commissie der Europese Gemeenschappen, gestelde termijn.
Een niet tijdige declaratie kan aanmerkelijke financiële gevolgen hebben.Een model voor een accountantsprotocol wordt nader vastgesteld.

Artikel 14 - subsidievaststelling en betaling

    Het definitieve subsidiebedrag wordt vastgesteld aan de hand van de ingediende declaratie als bedoeld in artikel 13 en met inachtneming van hetgeen overigens is gebleken. Het definitieve subsidiebedrag is niet hoger dan het bedrag van de toezegging, noch hoger dan het bedrag dat blijkens de verklaring van de accountant, controleerbaar en in overeenstemming met de voorschriften van deze regeling is.
  1. De uitbetaling van de vastgestelde subsidie vindt plaats onder verrekening van voorschotten.
  2. De vastgestelde subsidie alsmede de toegekende voorschotten worden uitbetaald aan de aanvrager, tenzij deze een derde als begunstigde heeft aangewezen. De aanvrager is in alle gevallen verplicht er voor zorg te dragen dat de betaalde bedragen aan de uitvoerder ter beschikking worden gesteld.

De bepaling van het definitieve subsidiebedrag geschiedt op dezelfde manier als de beschikking waarmee het verleende subsidiebedrag is bepaald, met daarbovenop een toetsing of aan de voorwaarden is voldaan. Het voorwaardelijk karakter van betalingen wordt omgezet in een definitieve eindafrekening.

De uiteindelijke subsidiebedragen moeten ten gunste komen aan de feitelijke uitvoerder, die normaliter de kosten heeft gemaakt; d.w.z. de aanvrager maakt de bedragen onmiddellijk over of verrekent deze in geval van voorfinanciering.

Artikel 15 - intrekking subsidieverlening

  1. Geen subsidie wordt verleend en verleende subsidie kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien de uitvoerder in staat van faillissement verkeert of surséance van betaling heeft verkregen.
  2. De verleende subsidie wordt ingetrokken indien het project niet gestart is uiterlijk binnen twee maanden na verlening van de subsidie.
    Deze termijn van twee maanden kan op een, binnen deze twee maanden ingediend, verzoek van de aanvrager door het Regionaal Bestuur worden verlengd ingeval van bijzondere omstandigheden.
  3. Indien uit een rapportage als bedoeld in artikel 11 blijkt dat de voortgang van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet geschiedt overeenkomstig de bij de subsidieaanvraag verschafte gegevens omtrent voornoemde activiteiten en aannemelijk is dat het bij de subsidieverlening vermelde bedrag niet zal worden gerealiseerd, kan het Regionaal Bestuur de subsidieverlening verlagen en, indien van toepassing, de periode waarvoor subsidie is verleend, verkorten.

Opgemerkt kan worden dat het van belang is om de termijn tussen verlening en start van het project beperkt te houden. Het is ongewenst langere tijd betalingen te hebben uitstaan waar geen prestatie tegenover staat.
Nadat een subsidie-aanvraag is toegekend dient het project derhalve te starten uiterlijk binnen twee maanden na de datum van toezegging door het RBA. Zo niet, dan vervalt de toegekende subsidie en dient bij een latere start opnieuw een aanvraag te worden ingediend. Indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, ter beoordeling van het RBA, kan een aanvrager binnen genoemde periode van twee maanden een gemotiveerd verzoek doen om verlenging van deze periode met een door het RBA te bepalen termijn.
Indien uit de rapportage blijkt dat de voortgang en de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten niet geschiedt volgens de subsidieverlening goedgekeurde gegevens en tevens duidelijk is dat een bij de subsidieverlening gesteld resultaat niet kan worden behaald, dan heeft het Regionaal Bestuur de bevoegdheid de subsidieverlening op grond van de in de rapportage opgenomen informatie tussentijds te verlagen dan wel de periode waarvoor subsidie is verleend te verkorten.
De mogelijkheid om de subsidie tussentijds te verlagen is wenselijk om te voorkomen dat het Regionaal Bestuur in geval van belangrijke afwijkingen pas zou kunnen ingrijpen op het moment waarop de subsidievaststelling zou plaatsvinden. Er is derhalve gekozen voor het systeem dat het Regionaal Bestuur bij tussentijdse constatering van afwijkingen aan de hand van eerdergenoemde rapportages de subsidieverlening kan verlagen. Daarnaast bestaat ingevolge de artikelen 104 en 105 van de Arbeidsvoorzieningswet de algemene grond om de subsidieverlening geheel of gedeeltelijk in te trekken indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet worden uitgevoerd overeenkomstig de gegevens zoals die bij de subsidieaanvraag zijn overgelegd.

Artikel 16 - beschikkingsbevoegdheid

Beschikkingen op grond van deze regeling worden genomen door het Regionaal Bestuur of door een door het Regionaal Bestuur daartoe aangewezen functionaris.

Artikel 17 - beroep

Tegen een op grond van deze regeling genomen beschikking kan een belanghebbende administratief beroep instellen bij het Centraal Bestuur.

Artikel 18 - intrekking regeling 1991

De Regeling Europees Sociaal Fonds (CBA 1991/065; Stcrt. 1991, 220) wordt ingetrokken.

Artikel 19 - inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant.

Toelichting op artikelen 16, 17, 18 en 19
Deze artikelen spreken voor zich.

Artikel 20 - overgangsregime

  1. a. Projecten waarvan de aanvraag ingediend is voor inwerkingtreding van deze regeling, welke nog niet hebben geleid tot subsidieverlening en nog niet hebben geleid tot daadwerkelijke uitvoering van het project, worden behandeld volgens de voorwaarden van deze regeling.
    b. Projecten waarvan de aanvraag is ingediend voor inwerkingtreding van deze regeling, welke hebben geleid tot subsidieverlening, doch nog niet tot daadwerkelijke uitvoering van het project hebben geleid, worden, voorzover alsnog redelijk en billijk kan worden geacht, behandeld met inachtneming van het in deze regeling bepaalde. Voorzover dat niet het geval is geldt het bepaalde uit de Regeling Europees Sociaal Fonds (CBA, 1991/065), met inachtneming van de sindsdien door het Comité van Toezicht vastgestelde selectiecriteria voor de destijds geldende doelstellingen 3 en 4.
    c. Projecten waarvan de aanvraag ingediend is voor de inwerkingtreding van deze regeling, welke geleid heeft tot subsidieverlening en tevens tot daadwerkelijke uitvoering van het project, worden afgehandeld volgens het bepaalde in de Regeling Europees Sociaal Fonds (CBA 1991/065), met inachtneming van de sindsdien door het Comité van Toezicht vastgestelde selectiecriteria voor de destijds geldende doelstellingen 3 en 4.
  2. Het Regionaal Bestuur kan, na overleg met de aanvrager, beslissen dat een project wordt gewijzigd naar de nieuwe prioriteiten, maatregelen en acties, voorzover dit redelijkerwijs niet onevenredig bezwarend kan worden geacht.

Aangezien het EPD pas is goedgekeurd bij beschikking van 17 augustus 1994 en beschikbaar is gesteld aan Nederland met de verzendingsbrief van de Europese Commissie van 3 oktober 1994, kan de situatie zich voordoen dat aanvragen zijn ingediend in het kalenderjaar 1994, welke al dan niet tot (voorwaardelijke) toezeggingen hebben geleid. Gezien het gegeven dat de aanvankelijk ingediende plannen toch hebben geleid tot enige onvoorziene aanpassingen kan het zijn, dat ontvangen aanvragen niet volledig voldoen aan de thans voorliggende normen.

Een onvoorwaardelijke toepassing met terugwerkende kracht, welke in feite volgens de systematiek van de Commissie van de Europese Gemeenschappen zou moeten worden toegepast, wordt hierdoor onevenredig bezwaarlijk voor de aanvrager en/of uitvoerder.
Derhalve zijn enige situaties beschreven waarvoor een overgangsregime wordt gehanteerd.

Artikel 21 - citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling Europees Sociaal Fonds (CBA, 1994).

Dit artikel spreekt voor zich.

Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

Aldus besloten in zijn vergadering van 10 november 1994.
Rijswijk, 23 november 1994

HET CENTRAAL BESTUUR VOORNOEMD
namens het bestuur:
de voorzitter,
R. de Boer.


Bijlage 1 Selectiecriteria, vastgesteld door het Comité van Toezicht op 16 november 1994, te hanteren

Inleiding

Voor de uitvoering van deze doelstelling in Nederland heeft de Europese Commissie in overleg met en op voorstel van de Nederlandse autoriteiten twee prioriteiten vastgesteld; met daarbinnen een aantal maatregelen en specifieke acties. Deze prioriteiten, maatregelen en acties zijn ontleend aan het door de EC vastgestelde Programmeringsdocument voor doelstelling 3 in de periode 1994 t/m 1999 (Beschikking van 17 augustus 1994, C1994/1414).
Deze zijn:

Prioriteit 1: De toeleiding van werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt

Deze prioriteit beoogt de integratie van personen die met uitsluiting worden bedreigd. Daaronder worden verstaan langdurig werklozen en personen die de kans lopen op langdurige werkloosheid. Binnen deze doelgroep worden drie sub-groepen onderscheiden:

  1. de met sociale uitsluiting bedreigden, w.o.:
    • minderheden,
    • gedeeltelijk arbeidsgeschikten,
  2. vrouwen met een bijstandsuitkering,
  3. jongeren; m.n. voortijdig schoolverlaters.

De hiervoor te treffen maatregelen en acties zijn:
maatregel:

  1. Scholing
  2. Bemiddeling
  3. Trajectbemiddeling
Binnen deze maatregelen heeft de EC in een aantal specifieke acties voorzien:

Prioriteit 2: De instrumentale randvoorwaarden om het uitvoeringsbeleid gestalte te kunnen geven

maatregel:
1. Technische bijstand
Hieronder vallen allerlei acties en activiteiten in de voorwaardenscheppende sfeer, zoals:

Voor deze maatregelen zijn selectiecriteria vastgesteld waaraan projecten, binnen de doelstelling 3, moeten voldoen. Verder zijn per maatregel streefpercentages vastgesteld voor het bereik van specifieke doelgroepen.

Deze doelgroepen zijn:1. Scholing:2. Bemiddeling:3. Trajectbemiddeling:
totaal:66%17%17%
waarvan:
langdurig werklozen:50%50%40%
- met langd.werkl.bedreigd:20%20%
werkloze jongeren:30%30%60%
van totaal:
migranten:15%15%15%
gehandicapten:10%10%10%
van totaal:
- vrouwen:50%50%50%
- mannen:50%50%50%

Onder werklozen worden alle personen verstaan die als zodanig zijn ingeschreven bij een arbeidsbureau.
Onder
langdurig werklozen worden alle personen verstaan, die langer dan een jaar als werkloos werkzoekend staan ingeschreven bij een arbeidsbureau. Mogelijke uitzonderingen op de (termijn) van inschrijving komen hierna aan de orde.
Onder met langdurige werkloosheid bedreigd worden alle personen verstaan die korter dan een jaar als werkloos werkzoekend staan ingeschreven bij een arbeidsbureau, doch waarvan wordt verwacht, dat zij zonder extra scholings- en/of bemiddelingsactiviteiten niet binnen een jaar werk zullen (kunnen) vinden.
Onder werkloze jongeren worden alle personen verstaan, die jonger zijn dan 25 jaar en als werkloos werkzoekende staan ingeschreven bij een arbeidsbureau.
Onder migranten worden verstaan alle personen die, niet beschikkend over de Nederlandse nationaliteit, rechtmatig op Nederlands grondgebied verblijf houden.
Onder gehandicapten worden verstaan:

Selectiecriteria

IA: Algemene criteria ten behoeve van alle maatregelen en acties:
  1. Het project is opgezet voor personen, die als werkloos werkzoekend staan ingeschreven bij een arbeidsbureau. Deze inschrijfplicht is in een aantal gevallen voor projecten voor specifieke doelgroepen niet vereist (zie sub II).
  2. In het algemeen bestaan projecten uit minimaal 10 deelnemers en zijn ze gericht op sectoren, waar een gebrek bestaat aan evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt (arbeidsmarktrelevantie).
  3. De advisering over de arbeidsmarktrelevantie van het project vindt plaats door het arbeidsbureau in de regio waar het project wordt uitgevoerd; de advisering inzake het belang voor de deelnemers vindt plaats door de arbeidsbureaus waar de werkloze deelnemers staan ingeschreven.
  4. Een project kan doorlopen over de (kalender-)jaargrens. In het algemeen bedraagt de duur van het project minimaal 200 uur.
  5. Prioriteit genieten projecten voor personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Deze projecten bestaan deels of geheel uit migranten, en/of gehandicapten, en/of (herintredende) vrouwen. Daarbij is het project zodanig opgezet dat aanpassing aan de individuele mogelijkheden van deze deelnemers mogelijk is.
  6. Hoogste prioriteit genieten projecten die:
IB: Specifiek t.b.v. maatregel 1, scholing, en de daarmee samenhangende acties:
  1. Het project betreft een (voor)schakel- en/of oriëntatiecursus gericht op een vervolgtraject en/of bestaat uit een combinatie van opleiding en praktijkervaring bij bedrijven en/of op simulatieplekken binnen opleidingsinstituten. Individuele begeleiding is hiervan een onderdeel.
  2. De opleiding is gericht op een algemene (basis) kwalificatie; de deelnemers krijgen vaardigheden bijgebracht die hen beter geschikt maken voor het uitoefenen van één of meer beroepen.
  3. Bij de uitvoering van opleidingsprogramma's met een transnationaal karakter zijn minimaal twee EU-lidstaten betrokken. Uit de bewijsstukken moet blijken dat de overheden in de andere lidstaten ook daadwerkelijk meefinancieren. Er dient tevens sprake zijn van uitwisseling van opleidingsprogramma's, leerkrachten en/of stagiair(e)s.
  4. De maximale duur per deelnemer bedraagt 12 maanden.
IC: Specifiek t.b.v. maatregel 2, bemiddeling en de daarmee samenhangende acties:
  1. Het gaat hierbij om additionele arbeidsplaatsen, met bij voorkeur arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde duur; of om werkervaringsplaatsen, met aantoonbaar perspectief op een vast dienstverband (bij voorkeur een baangarantie); of om activiteiten die zijn gericht op het starten als zelfstandig ondernemer.
  2. Het afgesloten dienstverband bedraagt minimaal 15 uur per week.
  3. De werkgever stelt een begeleidingsplan op. Bij werkervaringsplaatsen is er bovendien een vaste begeleider.
  4. De subsidie mag voor niet meer dan twintig procent van het personeelsbestand van een bedrijf of een instelling worden toegepast.
  5. Prioriteit krijgt de toepassing in het midden- en kleinbedrijf (juridisch zelfstandig aansprakelijke bedrijven met minder dan 500 werknemers op fulltime-basis).
  6. De maximale duur per deelnemer bedraagt 12 maanden.
ID: Specifiek t.b.v. maatregel 3, traject-bemiddeling en de daarmee samenhangende acties:
  1. Het project dient de resultante te zijn van diagnosestelling op basis van een integrale probleemanalyse. Dit vereist een gecoördineerde aanpak van verschillende disciplines, zoals maatschappelijk werk, RIAGG, arbeidsbureaus, sociale diensten, reclassering, CAD's, etc.
  2. Het project bevat een behandelplan (actieplan) dat tot stand is gekomen in en na overleg tussen de sub a bedoelde disciplines.
  3. De verantwoordelijkheden, taken, bevoegdheden, van de diverse hulpverlenende instanties dienen volstrekt helder te zijn.
  4. Elementen. als vermeld sub IB en IC kunnen in wisselende volgorde deel uitmaken van het project.
  5. De maximale duur per deelnemer bedraagt 24 maanden.
II: Specifieke criteria naar leeftijdscategorie:
IIA: specifiek voor werklozen van 25 jaar en ouder:
  1. Van een project kunnen personen deel uitmaken die langer dan 12 maanden als werkloos werkzoekend (langdurig werkloos) staan ingeschreven bij een arbeidsbureau.
  2. Personen die korter dan een jaar als werkloos werkzoekend staan ingeschreven bij een arbeidsbureau, doch met langdurige werkloosheid worden bedreigd (ter beoordeling van het arbeidsbureau) kunnen deel uitmaken van een project.
  3. Voor migranten, gehandicapten en (herintredende) vrouwen die niet stonden ingeschreven bij een arbeidsbureau geldt dat zij voldoen aan het inschrijvingscriterium van 12 maanden als zij kunnen aantonen dat zij voor hun deelname aan een project langer dan 12 maanden zonder werk zijn geweest (geen arbeidsverhouding hebben gehad).
  4. Prioriteit genieten projecten waaraan werklozen deelnemen die ouder zijn dan 45 jaar, ongeacht de duur van de werkloosheid.
IIB: specifiek voor werklozen jonger dan 25 jaar:
  1. Van het project kunnen personen deel uitmaken, die als werkloos werkzoekend staan ingeschreven bij een arbeidsbureau.
  2. Het gaat hierbij om projecten voor jongeren met onvoldoende scholing en/of beroepservaring, die niet voldoende aansluit op de behoefte van de arbeidsmarkt.
  3. Projecten in het kader van het KMBO of leerlingwezen die apart zijn opgezet voor voortijdig schoolverlaters genieten prioriteit voorzover zij voldoen aan de volgende voorwaarden :

Bijlage 2 subsidiabele kosten.

Bij een project dat aan de subsidievoorwaarden voldoet, komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

Subsidiabele kosten:

Kosten instructiepersoneel
Exploitatiekosten
Inkomen deelnemers
Overige deelnemersvergoedingen
Overheadkosten
Diversen

Niet-subsidiabele kosten:

Het ESF financiert niet mee aan:

Algemene toelichting

De Arbeidsvoorzieningsorganisatie is uit hoofde van een met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gesloten bestuursovereenkomst (Stcrt. 1991, 192) belast met de uitvoering van de activiteiten in het kader van het Europees Sociaal Fonds in Nederland. Uit dien hoofde participeert de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in een partnerschap tezamen met ondermeer de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Rijksoverheid. Dit partnerschap bepaalt in aanvulling op de door de Europese Gemeenschappen gegeven regels de materiële criteria die gelden voor het verkrijgen van een subsidie uit het Europees Sociaal Fonds. Wat betreft de doelstelling 3 van het Europees Sociaal Fonds, die voor het gehele Nederlandse grondgebied, Flevoland uitgezonderd, gelding hebben, neemt het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening deel aan het partnerschap.

De uitvoeringsopdracht aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie omvat onder andere het stellen van regels van procedurele aard ter behoeve van een adequate afwikkeling van subsidieaanvragen alsmede het definitief beschikken op die aanvragen. Ingevolge artikel 99 van de Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) dient subsidieverlening te geschieden krachtens een door het Centraal Bestuur vastgestelde regeling. De onderhavige regeling beoogt daarin te voorzien ten aanzien van het Europees Sociaal Fonds, voorzover het betreft de landelijk geldende doelstellingen van het fonds.

In 1991 is voor het eerst een nationale ESF-regeling vastgesteld. Aangezien thans op basis van de gewijzigde EG-regelgeving en het Enig Programmerings Document een nieuwe fase voor zes jaar (1994 tot en met 1999) van start gaat is gekozen voor een intrekking van de regeling uit 1991 en de vaststelling van een nieuwe regeling.

Bij de opstelling is bovendien rekening gehouden met de wens van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie om te komen tot een uniform stelsel van financieel beheer ter waarborging van de rechtmatigheid van uitgaven, alsmede met wensen voortgevloeid uit de uitvoeringspraktijk van de periode 1991 tot en met 1993.

Waar mogelijk is rekening gehouden met het wetsvoorstel aangaande de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht.

Tot slot is het van belang om op te merken dat naast de ESF-regeling als thans voorligt de algemene de bepalingen uit de Arbeidsvoorzieningswet (bijvoorbeeld het algemene subsidiegedeelte en terugvorderingsbepalingen) en de Algemene wet bestuursrecht (bijvoorbeeld met betrekking tot aanvraag-, besluit- en beroepsprocedures) van toepassing zijn.

Artikelgewijze toelichting

[Deze is in de tekst van de Regeling ESF verwerkt.]

Het Centraal Bestuur voornoemd,
namens het Bestuur,
de voorzitter, R. de Boer.

Terug naar boven

Jaap van Wingerde (1995). Tekening: Japke van Wingerde [Utrecht, 1985]Jaap van Wingerde
e-mail: webmaster@vanwingerde.net
Internet: http://jaap.vanwingerde.net/