NedStat

Boekbespreking

Volgende artikelVorige artikelInhoudsopgavedoor Jaap van Wingerde
Litteratura Serpentium, Nederlandse editie. Noordwijkerhout. 8 (5): 238-242 [1988].

Helaas staat staat het artikel in Litteratura Serpentium vol zetfouten en staat in de Engelse editie ook nog een ernstige vertaalfout.

Welch, K.R.G. (1983): Herpetology of Europe and Southwest Asia: A Checklist and Bibliography of the Orders Amphisbaenia, Sauria and Serpentes. Malabar: R.E. Krieger Publishing Company. I-VIII, 1-135. ISBN 0-89874-533-0. LCCN 82-12645.

Welch geeft in dit boek een overzicht met bibliografie van de in Europa (exclusief Rusland), Turkije, Irak, Iran, Afghanistan, Syrië, Jordanië, Libanon, Israël, op het Arabisch en het Sinaï schiereiland voorkomende wormhagedissen, hagedissen en slangen. Anders dan de titel van het boek aangeeft, vindt U in de publicatie geen gegevens over amfibieën en schildpadden. In het boek zijn geen synoniemen opgenomen. Alleen wordt zonodig de door de beschrijver van de (onder)soort gebruikte familienaam genoemd. Per (onder)soort zijn het verspreidingsgebied en litteratuurverwijzingen vermeld. In twee bijlagen staan litteratuuropgaven per familie en per regio. In de bibliografie zijn naar schatting zo'n zevenhonderdvijftig titels opgenomen. Het boek eindigt met een tweetal indexen.

In zuidoost-Europa bereiken vele soorten hun meest oostelijke of noordelijke verspreiding. Het is daarom niet onlogisch zuidwest-Azië en Europa tegelijk te behandelen. Volgens een zelfde redenering had noord-Afrika echter ook behandeld moeten worden. Het uitsluiten van Europees Rusland is een rare zaak. Verder is het hanteren van staatkundige grenzen in de biologie niet aanbevelenswaardig. Welch doet dit vaak, hetgeen een goed inzicht in het verspreidingsgebied van de dieren niet ten goede komt.

Welch heeft bijna geen synoniemen opgenomen. Hierdoor is het boek lastig te lezen als je gewend bent aan genusnamen als Coluber of Cyrtodactylus. Verder kost het om deze reden wat moeite de vraag te beantwoorden of Welch Coluber algirus (Malta) en Coluber rubriceps (Anatolië, Thracië en zuidoost-Bulgarije) domweg vergeten heeft, of deze namen als synoniemen van andere namen ziet.

De bibliografie telt zo'n zevenhonderd titels. Ik kan niet de litteratuur van heel het behandelde gebied overzien. Ik ben echter redelijk thuis in de litteratuur over de herpetofauna van zuidoost-Europa en het Midden-Oosten. Welch heeft hier veel over het hoofd gezien. Zo ontbreken in de lijst belangrijke publicaties over Griekenland (Ondrias, 1968), Turkije (Basoglu & Baran, 1977 & 1980; Baran, 1976), Italië (Bruno & Maugeri, 1976 & 1977) en Europa (Böhme, 1981). Dit verklaart het verwarrend gebruik door Welch van verouderde en door hem gehanteerde naamgeving (Haemorrhois jugularis caspius = Coluber caspius) en het niet noemen van de in noord-Sardinië op zeeniveau levende Lacerta bedriagae. Om onduidelijke redenen ontbreekt een vermelding van Coluber nummifer (Coluber ravergieri nummifer).

Verder neemt Welch zonder enige kritiek te uiten lange lijsten ondersoorten over van Mertens & Wermuth (1960). Elke serieus in de Europese herpetofauna geïnteresseerde moet duidelijk zijn dat veel van deze subspecies niet valide zijn. Hillenius (1976) stelt hierover dat men vaak de indruk krijgt dat het grote aantal beschreven (onder)soorten van het geslacht Lacerta (=Lacerta en Podarcis) voor een deel niet zo zeer te danken is aan de hagedissen zelf, als wel aan al die auteurs die hun naam wilden vereeuwigen door van elk eilandje of rotssplinter, waarop maar een even afwijkende vorm of kleurvariëteit gevonden werd, minstens een aparte ondersoort te beschrijven. Het is jammer dat Welch hier niet de zelfde werkwijze gevolgd heeft als bij Ophisops elegans. De ondersoorten zijn bij deze slangooghagedis eenvoudig weggelaten. Gezien de vele onduidelijkheden inzake de geldigheid van de beschreven subspecies en de verspreiding is het doen van uitspraken zonder uitgebreid onderzoek dan ook niet mogelijk.

Tot slot viel me nog op dat Welch voor Chalcides guentheri als verspreidingsgebied "Turkey south to Israel" opgeeft. In de in de litteratuurverwijzing opgenomen publicatie van Pasteur (1981) wordt echter een klein verspreidingsgebied in Israël, Libanon, Jordanië en Syrië aangegeven. Ook de door Welch vermeldde Chalcides pistaciae Valverde 1967 kwam me in eerste instantie onbekend voor. Deze publicatie van Valverde staat ook niet in de bibliografie. Salvador (1981) leert echter dat Welch hier waarschijnlijk Chalcides bedriagai pistaciae Valverde 1966 bedoelt. Volgens Welch komen Mabuya aurata en Natrix tessellata op Cyprus voor. Deze dieren zijn voor zover bekend echter nimmer op Cyprus aangetroffen. Ongefundeerde meldingen van deze soorten komen al sinds de achttiende en negentiende eeuw voor. Ze blijven voorkomen doordat auteurs kritiekloos van elkaar over blijven schrijven. Overigens doet Welch opgave van zestien inderdaad op Cyprus voorkomende soorten. Hij vergeet er echter vijf: Hemidactylus turcicus, Mabuya vittata, Typhlops vermicularis, Coluber nummifer en Telescopus fallax.

Gezien bovenstaande en andere fouten en onvolledigheden verdient dit werk van Welch niet het predikaat belangrijk. Er staan veel slordigheden in, keuzen van de auteur zijn veelal niet gemotiveerd en de bibliografie is zeer onvolledig. Je kunt hoogstens zeggen dat het een niet onverdienstelijk eerste ontwerp is. Het is daarom onbegrijpelijk dat een uitgever bereid bleek het -goud op snee- uit te geven. Een uitgever heeft immers ook tot taak auteurs te behoeden voor het publiceren van onvoldragen teksten. Het boek is naar mijn oordeel de f 70,05 die ik er augustus 1986 in de boekhandel voor betaalde niet waard.

Litteratuur

Terug naar boven

Jaap van Wingerde (1995). Tekening: Japke van Wingerde [Utrecht, 1985]Jaap van Wingerde
e-mail: webmaster@vanwingerde.net
Internet: http://jaap.vanwingerde.net/