NedStat

Sociale Dienst Rotterdam wordt gereorganiseerd

Volgende artikelVorige artikelInhoudsopgavedoor Jaap van Wingerde
Welzijnsweekblad. Haarlem. 3 (1): 16 [6 januari 1978]

De Rotterdamse sociale dienst heeft een voorlopers-functie. Als er bij andere diensten soortgelijke onderzoeken gedaan zouden worden, krijg je dezelfde uitkomsten.

Dit zei de Rotterdamse wethouder van Sociale Zaken mevrouw E.M.A. Schmitz (PvdA), tijdens een eind vorig jaar gehouden gemeenteraadsvergadering over de problemen van de Rotterdamse sociale dienst. Naar aanleiding van de voortdurende kritiek op de Rotterdamse Gemeentelijke Sociale Dienst (GSD) en vooral de corruptie door ambtenaren en Surinaamse bemiddelaars heeft het Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek van de Tilburgse Hogeschool, het 'I.V.A.' in opdracht van de gemeente een onderzoek naar het functioneren van de GSD gedaan (zie ww 1977/36, bladzijde 23 en 24). Uit dit onderzoek bleek dat door een bestuurlijk falen de organisatie in het honderd gelopen was. Een andere conclusie uit het rapport was dat het Rotterdamse gemeentebestuur bestuurlijk en politiek te weinig leiding aan de GSD gegeven heeft. Ook de gemeenteraad en raadscommissie hebben het volgens de onderzoekers af laten weten.

Deze collectieve verantwoordelijkheid van alle politiek betrokkenen was er dan ook de reden van dat de zaak op een vriendelijke manier afgehandeld werd. De gemeenteraad gaf wethouder Schmitz unaniem het vertrouwen waar ze om gevraagd had. Hoewel dit niet zo duidelijk uitgesproken werd, werd het beleid van de vorige wethouder van sociale zaken, De KVP'er G. de Vos, die zonder open sollicitatieprocedure zijn vriendje B.A.C.M. Bruens directeur van de GSD maakte, als oorzaak van de moeilijkheden beschouwd.

Wethouder Schmitz had eerder aan het saneren van de erfenis moeten beginnen, maar omdat raad en raadscommissie het er ook bij hadden laten zitten werd daar niet veel ophef over gemaakt.

De reorganisatieplannen van de GSD kregen van de raad groen licht. De wethouder beloofde binnen een half jaar uitgewerkte veranderingsplannen klaar te hebben, zodat over de financiële en personele consequenties gepraat kan worden. De voorlopige reorganisatieplannen komen voor het grootste deel overeen met de aanbevelingen uit het landelijke onderzoek 'Gemeentelijke sociale dienstverlening in ontwikkeling' (zie ww 1977/32, bladzijde 5 en 6).

Kernpunten zijn de functie bijstandsmaatschappelijk werk (BMW), geen onderscheid tussen financiële en psycho-sociale hulpverlening, werkeenheden van 15 -20 werkers, geen teamsgewijze behandeling van aanvragen, beslisfunctie in aparte afdeling, een meerhoofdig directieteam en een betere politieke begeleiding. De dienst zou zich de komende 3 á 4 jaar op het tot stand brengen van bijstandsmaatschappelijk werk moeten richten, daarna kan er aandacht worden besteed aan déconcentratie en een verdergaande ontwikkeling van het takenpakket, zoals het projectmatig aanpakken van sociale knelpunten.

Het gemeentebestuur en de directie van de dienst hebben bezwaren tegen de aanbeveling van de stuurgroep de wetstechnische advisering, controle en toetsing te concentreren in een afzonderlijke afdeling, die ook beslissingen of bijstand verleend dient te worden moet gaan nemen. De uiteindelijke beslissing dient volgens de gemeente op een andere nog nader te bepalen plaats in de organisatie genomen te worden.

Mening personeel

Uit een door de sociaal-wetenschappelijke afdeling van de Rotterdamse GSD uitgevoerd onderzoek naar de mening van het personeel over de aanbevelingen, blijkt dat met name de leidinggevenden van de afdeling administratie het relatief vaak maar tendele eens zijn met de omschrijving van de functie bijstandsmaatschappelijk werk, die er op neer komt dat de eerste lijner ook psycho-sociale hulpverlening gaat doen. De afdeling die dat bijstandsmaatschappelijk werk moet gaan doen en de staf zijn het er over het algemeen wel mee eens.

Niemand van de administratie is het er mee eens dat er geen scheiding mag worden aangebracht tussen financiële en psycho-sociale hulpverlening. Het grootste gedeelte van de ondervraagden is van mening dat de dienst voorlopig niet tot déconcentratie moet overgaan. Slechts 14 % van de beslissingsambtenaren is voor een aparte beslisafdeling. Een forse minderheid van het totaal aantal ondervraagden is voor de aanbeveling dat er een aparte beslissingsafdeling moet komen. Vrijwel alle ondervraagden vinden een driehoofdig directieteam wenselijk. Velen vinden de zaak nog te ondoorzichtig, willen weten welke eisen aan leiding en personeel van de BMW-eenheden gesteld gaan worden en twijfelen eraan of het huidige personeel wel capabel genoeg ervoor is.

Volgens de onderzoekers blijkt uit de meningspeiling dat de aanbevelingen grotendeels worden aanvaard. Uit de bij de enquete gemaakte opmerkingen valt volgens de onderzoekers af te leiden dat velen in onzekerheid verkeren over de nabije toekomst van de dienst.Terug naar boven



Jaap van Wingerde (1995). Tekening: Japke van Wingerde [Utrecht, 1985]Jaap van Wingerde
e-mail: webmaster@vanwingerde.net
Internet: http://jaap.vanwingerde.net/